Weblog

  Share on:
20 november 2018 - :

De witte stamreligie van de Amerikaanse Evangelicals, ons zelfbewustzijn op een chip gekopieerd, en de verhouding van religie en kunsten. Een religiecongres in Denver, CO, in de Verenigde Staten

 

Al vaker heb ik op dit blog gerapporteerd over de congressen van de American Academy of Religion (AAR), jaarlijkse bijeenkomsten ergens in de Verenigde Staten van ruim 10.000 theologen en religiewetenschappers: grote namen, rijzende sterren en specialisten in je-kunt-het-zo-gek-niet-bedenken-of-het-is-er. Afgelopen dagen waren we in Denver, CO, ongeveer op een mijl hoog (1609 meter) gelegen aan de voet van de Rocky Mountains die met hun besneeuwde toppen blonken onder een felblauwe hemel.

 

Een sfeerimpressie

Een kleine groep specialisten over hoe een veertiende eeuwse geleerde uit Bagdad in de twintigste eeuw herinnerd werd; een volle zaal bij een panel van religieverslaggevers met onder anderen de door mij bewonderde Laurie Goodstein van de New York Times; tachtig mensen die nadenken over de exegese van de Hebreeënbrief. Een Nederlandse collega die straalt van oor tot oor als ik haar tegen het lijf loop omdat zij net een bekende spreker bereid heeft gevonden een belangrijke bijdrage te leveren voor een congres dat zij organiseert — ze móet het even vertellen. Ontmoetingen met oude bekenden, nieuwe contacten die je opdoet. Onder een lunch even zaken doen met een collega uit Zuid Afrika, en eindelijk tijd om eens even over een glas wijn rustig met een Nederlandse collega te praten. Ruim 1000 meetings, — waarvan je er hoogstens vijftien kunt bijwonen. Daarbij nog een enorme markt van uitgevers die tezamen duizenden en duizenden boeken op het terrein van theologie en religiewetenschap uitstallen,— die je nooit zult kunnen lezen. Stiekem even gloeien van trots dat jouw uitgever jouw boek vooraan heeft gezet. En blij verrast zijn als op een van de sessies ineens een artikel van Mirella Klomp en mij over wat we genoemd hebben sacro-soundscapes wordt aangehaald (door Monique Ingalls van Baylor University in een lezing over gospelkoren in Groot Britannië, die voor de leden als religieuze gemeenschap functioneren, meer dan de kerkelijke gemeente).

Kortom, zo’n congres is een snoepwinkel waar je ogen altijd groter zijn dan je maag. Zelf houd ik van een “pick and mix” strategie: om niet perse mijn eigen vakgebied verder te verkennen, maar mij breder te oriënteren en op te snuiven wat de trends zijn, welke vragen er worden gesteld in het bredere veld. Het is mijn ervaring dat me dat inzichten oplevert die mij te pas komen in mijn dagelijkse werk, het leiding geven aan onderzoek, en het begeleiden van studenten en vooral promovendi. Een verslag van mijn - dus louter door mijn belangstelling gestuurde - gang door de conferentie.

 

De joodse gemeenschap in de VS

Het congres had voor mij een bijzondere opmaat, omdat ik, net in Denver gearriveerd, bij toeval ontdekte dat een goede vriend uit een heel ander deel van de Verenigde Staten al even toevallig die dag ook in Denver was. Omdat hij in een vorig leven als rabbijn is opgeleid, praten we altijd graag over religie. Hij zocht me op en na de mass shooting in de synagoge in Pittsburg was het niet vreemd dat ons gesprek al snel ging over hoe hij zich voelde als jood in de VS. Zelf opgegroeid in een sfeer van antisemitisme elders in de wereld, vertelde hij vooral over de shock die de aanslag voor zijn zoons betekende: zij hadden dit in de VS niet voor mogelijk gehouden. De ruwe en niet openbaar gemaakte beelden die één van hen door zijn werk bij een nieuwskanaal had gezien van de slachting in de synagoge, hadden hem een antisemitisme voor ogen gesteld dat hij alleen kende uit een andere tijd en een ander deel van de wereld. Mijn vriend twijfelt niet: het is door het geflirt van de Amerikaanse president met Alt-right dat het antisemitisme gruwelijk openbaar is geworden. Hij is hevig verontrust over de manier waarop de president en zijn schoonzoon bijdragen aan de destabilisering van het Midden Oosten door hun hartelijke relaties met de soennitische Saudi’s.

 

US White Tribalist Religion

Vanzelfsprekend was de cynische, corrupte, seksistische en racistische regering van de Verenigde Staten nooit ver weg in de presentaties en bijeenkomsten in Denver. De rede van de president van de American Academy of Religion, David Gushee, kreeg er een bijzonder karakter door. Zijn verkiezing een aantal jaar geleden had op de AAR voor discussie gezorgd, omdat hij, naast een gerespecteerd geleerde, een white evangelical, preciezer een Southern Baptist, was. De titel van zijn rede “In the Ruins of White Evangelicalism” was dan ook bij voorbaat onverwacht en hij sprak voor een volle grote zaal. Het werd een indrukwekkend persoonlijk getuigenis, een bekeringsverhaal, een uitleg van waarom hij afscheid had genomen van zijn kerk - vanuit “een overtuiging van zonde waar ik geen excuus voor heb”. Het inzicht dat 81% van de white evangelicals voor Trump had gestemd (een hoger percentage dan enige republikeinse kandidaat in het recente verleden ooit had behaald) niet ondanks wie hij is, maar omdat wie hij is, markeerde de omkeer in Gushee’s leven. Hij stelde vast dat voor de white evangelicals racisme het belangrijkste element was om voor Trump te kiezen. Gushee had twintig romans van Afro-Amerikaanse auteurs gelezen en onderzocht hoe karakters in de boeken “whites peoples morality and religion” beschreven. Het beeld is ontluisterend: hebzucht, trots, laster, willekeurig gebruik van macht, ongecontroleerde woede, geweld, en vervreemding van menselijke relaties kenmerken hun morele status, en zij kiezen ervoor om het kwaad dat zij aanrichten niet te zien. Gushee concludeerde dat hij nooit had geluisterd naar die andere stem van people of color en dat hij zo mede schuldig was aan een “white terrorism” dat gelegitimeerd wordt door de wet. “Evangelical” is “a grieved white identity” die vooral het witte zelf aanbidt en niets met Jezus van Nazareth van doen heeft, zo zei hij. “Evangelicalism is a white tribalist religion.”

De spreker voelde zich duidelijk hoogst ongemakkelijk bij de staande ovatie die hij kreeg.

Een dag later rollen de tweets over hooligans bij de intocht van Sint en Piet in Nederland over mijn beeldscherm in Denver.

Hoe white evangelicalism opereert werd onder meer duidelijk in de presentatie van Devin Manzullo-Thomas over de Billy Graham Library, waar ook het graf van de evangelist is. Het museum in North Carolina— toegang gratis — wil cultural warriors kweken en versterken. Het doet dat met name door nostalgische gevoelens te wekken: vroeger was alles beter en het gaat steeds verder bergafwaarts met Amerika. In een pastoraal landschap is het woonhuis van de Grahams herbouwd en wordt Billy’s vrouw Ruth neergezet als ideale christelijke huisvrouw van de patriarchale familie. Er zijn “Hope for troubled times galleries”, opgezet als een kleine stad uit de jaren vijftig die wordt uitgelicht in een rood apokalyptisch licht dat suggereert dat de zon ondergaat over het christelijke leven. De oplossing voor alles is een evangelical conversion. Uit onderzoek van twitterposts van bezoekers blijkt dat de library bij de bezoekers inderdaad sociaal-politiek sentiment oproept en dat het geheel zich laat karakteriseren als een Christian Right Organization.

 

De technische uitbreiding en verbetering van de mens en het transhumanisme

Buitengewoon boeiend vond ik een bijeenkomst over de technische uitbreiding en verbetering van de mens en het zogenoemde transhumanisme. Ons leven, ons zelfbewustzijn en ons geheugen, zo zei Noreen Herzfeld van St. John’s University in wat ik een fascinerend gedachtenexperiment vond, is voor een deel al verplaatst naar computers. De vraag rijst of we de rest van ons leven daar ook heen kunnen verplaatsen. Anders gevraagd, kunnen wij zonder lichaam? Is wat wij mens noemen alleen maar software (Wij zijn ons brein) of is ons lichaam onmisbaar? Kunnen we uiteindelijk ons lichaam missen en ons hele bewustzijn op een chip kopiëren en dan gelukzalig voortleven zonder ons te hoeven bekommeren over voedsel en drank en kwalen die ons lichaam aantasten? Onze herinneringen hebben we al gedownload, is het wachten tot de rest kan volgen? De consequentie als dat mogelijk zou zijn is dat Descartes gelijk had met zijn dualisme van lichaam en ziel (Ik denk, dus ik ben). Maar als het zelfbewustzijn onlosmakelijk met het lichaam verbonden zou zijn, zou dat een (eerder protestants te noemen) ondeelbaar individualisme ondersteunen. En wat als we meervoudige zelven zouden hebben die we, pakweg, op ons twintigste, veertigste en zestigste zouden kunnen uploaden? Of als ons zelf de narratief is die we onszelf en anderen vertellen en als we vervolgens verschillende narratieven van onszelf zouden uploaden? Dan zouden we feitelijk geen zelf hebben en eerder in Buddhistische gedachtenwerelden terecht komen. Of als we een soort superintelligentie zou bestaan die (meer dan) het totaal van alle enkelingen was en we uiteindelijk in een pool van zelfbewustzijnen terecht zouden komen? Dan zouden we ons in het corporate self van het rooms-katholieke denken bevinden…. Wordt de strijd over wat de mens is binnenkort geslecht?

 

Theologie, religiewetenschap en de kunsten

Regelmatig waren er pleidooien te horen om de kunsten meer in het theologisch onderzoek te betrekken. Bij de Praktisch Theologen-groep op de AAR was dat meer lippendienst dan dat het concreet werd gemaakt of zelfs maar getuigde van werkelijke kennis van de kunsten. Men spreekt met een zeker gemak over "transformative artistic practices", over een toewending tot de kunsten en tot niet-tekstuele bronnen, over de kunsten als "essentiële middelen om concepten op te sporen en te analyseren" — maar nota bene, de visuele kunsten zijn wél rationeel maar zijn nu juist níet in concepten te vangen, en als de kunsten tot middel worden gebombardeerd dan zijn ze nog voor ze maar iets hebben kunnen zeggen al van hun spreekrecht beroofd. Een concreet voorbeeld heb ik niet gehoord, of hoe dat dan moet: de kunsten in het onderzoek betrekken. Ik vroeg mij in gemoede af of men ook maar een flauw vermoeden heeft van wat er in de wereld van de kunsten speelt.

Voor meer respect voor de kunsten en de kunstenaar moest je bijvoorbeeld naar een groep die zich tooit met de titel Interreligious Aesthetics. Daar waren de kunsten niet direct tot dienstmaagd van de theologie gedegradeerd, maar mochten de kunst en de kunstenaar uitspreken, en vervolgens mochten de theologen en religiewetenschappers daar wel wat van vinden, maar bleek óók dat dat nog niet zo makkelijk te verwoorden is.

Dr Aaron Rosen, Professor of Religious Thought op Rocky Mountain College en Visiting Professor bij King’s College London, liet een project van de kunstenaar Tobi Kahn zien waar hij bij betrokken was, een ontwerp voor een meditatieve ruimte in een zorginstelling1. Dezelfde Rosen was eerder op Manhattan betrokken bij een project The Stations of the Cross dat volgend voorjaar naar Amsterdam komt en daar in de publieke ruimte wordt opgesteld. Bij dat project is ook de jonge liturgiewetenschapper Lieke Wijnia, die eerder dit jaar de Gouden Penning van Teylers Godgeleerd Genootschap won (zie een blog hieronder) betrokken. Ook zij was in Denver aanwezig. The Stations of the Cross reisde eerder van Engeland naar markante plaatsen in de Verenigde Staten en vraagt aandacht voor vluchtelingen en armen. Zo wordt theologie publieke theologie, maar op een manier die niet zomaar in woorden en concepten te vangen is.

Als de Praktische Theologie het waagt radicaal in te zetten op de zintuigen en de kunsten dan krijgen de laatste mogelijk een eerlijke kans. Zo zou zij ook gehoor kunnen geven aan de oproep van de Britse Praktisch Theologe Heather Walton aan haar discipline om voorbij te komen aan de sociale wetenschappen: het kunstwerk wordt immers ongevaarlijk gemaakt en tot zwijgen gebracht als men (om het met Heidegger te zeggen) de doorgang die het biedt aan het Zijn toesluit, door het uitsluitend systematisch empirisch te benaderen en analyseren. Parallel daaraan geldt het zelfde voor religieuze praktijken en de wetenschappelijke bestudering daarvan. De wetenschappelijke (theologische, filosofische) bestudering van het heilige en de kunst kan alleen vorm krijgen in een — om met Rick Osmer te spreken — transversale rationaliteit die zich terdege bewust is van het eigene van respectievelijk kunst, geloof, sociale wetenschappen, theologie en wijsbegeerte.

Een interessante presentatie van Yaniv Feller van Wesleyan University, was hier een aardige illustratie bij, maar dan op het veld van architectuur, religie en museum. Hij onderzocht hoe het (joodse) museum en de synagoge op allerhande plekken in de wereld met elkaar interacteerden: de synagoge als museum, het museum naast de synagoge, de synagoge als architectonisch kunstwerk, de synagoge in modelbouw in het museum etc.

Bij een meeting naar aanleiding van David Brown’s boek The moving text waarin hij voorstelt de traditie en interpretatie van de bijbeltekst als mogelijk openbarend te zien, bespeurde ik een wat bangelijke houding van de bijbelwetenschappers ten aanzien van de artistieke interpretatie van de tekst. Alsof zij nooit de pleidooien voor een vrije interpretatie van Derrida en Heidegger gelezen hadden, stelden zij bij herhaling de vraag wie dan toch als final arbiters zouden optreden. Zij vreesden een destabilisering van de notie ‘Bijbel’. Brown, zelf aanwezig, antwoordde mijns inziens adequaat dat de geschiedenis van Israël en de Bijbel zelf voortdurend omstreden herinterpretaties, en dus producten van de verbeelding zijn, en dat het uiteindelijk de leesgemeenschap van de Bijbel is die gaandeweg vaststelt wat een goede interpretatie is (en dus niet een enkele kunstenaar). 

 

Et cetera

Ik zou nog lang door kunnen schrijven. Over een onderzoek naar herdenkingsrituelen van de genocide in Rwanda (waar ik zelf ook mee bezig ben, zie een eerder blog hieronder); over de rol van geld en the prosperity gospel onder evangelicals en pentecostals in Afrika; over de blijvend terugkerende klacht of beter aanklacht dat de wetenschap door en door blank en koloniaal is en blijft, en hoe zij nog altijd beheerst wordt door Europees-Amerikaanse paradigma’s, ontologieën en epistemologieën; over rijzende sterren (de uitzonderlijk scherpe, glashelder formulerende en bijna dansend presenterende religiefilosofe Mary-Jane Rubenstein — ik heb drie boeken van haar besteld); over het boeiende boek van Bradley Onishi The sacrality of the secular (Columbia University Press 2018); over dieren en religie en de verschrikkelijke manier waarop people of colour vaak als beesten worden geschetst: gedomineerd, geëxploiteerd, verwond en tenslotte gedood. 

Het is te veel, en tegelijk zo interessant dat ik er geen genoeg van kan krijgen. Wat een mooi vak heb ik. Volgend jaar weer. 

 

1.     https://jewishartsalon.org/2018/04/10/tobi-kahn-and-aaron-rosen-in-architectural-digest/)

2.     http://www.artstations.org  



  Share on:
11 november 2018 - :

Het kinderpardon en de eredienst als wapen in de strijd

In Nederland geldt een hardvochtige Regeling langdurig verblijvende kinderen, met dank aan de regeringspartij die vaart onder het vaan van een christen appel. De Armeense Hayarpi en haar gezin hebben daarom asiel gekregen bij de protestantse gemeente Den Haag. De Protestantse Kerk stelt zich daar achter en dat siert haar.

De Algemene Wet op Binnentreden (art. 12b) staat het de overheid niet toe binnen te komen tijdens ‘een godsdienstoefening of bezinningsbijeenkomst’. Daarom wordt er nu een marathonkerkdienst gehouden. Juridisch gesproken is het beroep op die regel juist bij een marathonkerkdienst vrij ‘dun’, maar goed, de overheid zal zich wel tien keer bedenken voordat zij nu binnenvalt. 

De eredienst is eerbetoon aan God, viering van de opstanding van Christus, proclamatie van Gods Koninkrijk. De overheid garandeert de vrijheid van die eredienst. De kerkdienst heeft een politieke strekking. De Bijbel is immers ook een politiek boek, en de uitleg en verkondiging ervan (de preek) dus ook. In het oude testament zijn er voortdurend profeten die met grote innerlijke vrijheid en ongebonden de politieke machthebbers kritiseren en hinderlijk voor de voeten lopen. Jezus’ passie is het verhaal van een dubieus politiek spel tussen volk, religieuze autoriteiten en de Romeinse stadhouder. Ook de avondmaalsviering heeft politieke aspecten. Juist de founding fathers and mothersvan de Protestantse Kerk wisten dat: als vluchtelingen in het zestiende eeuwse Engeland besloten ze het avondmaal zittend aan tafels te gaan vieren — een revolutionaire liturgische vernieuwing: zo grepen ze vooruit op Gods Koninkrijk waar ze rust zouden vinden en niet meer vervolgd worden om hun geloof. Kortom, de eredienst heeft ook een scherpe en concrete politieke strekking. 

Kun je dat omdraaien? Kun je de kerkdienst ook inzetten als een politiek wapen (hier: om te verhinderen dat de overheid binnentreedt om Hayarpi uit te zetten)? Ik ben hier terughoudend; het luistert in elk geval heel nauw. Waar we de eredienst inzetten voor een politiek doel, dreigt zij een instrument te worden dat binnen het functionele denken is gebracht. Nog iets scherper gezegd, zij wordt een wapen in de strijd. Ik heb daar moeite mee, en heb na aarzeling besloten me niet als voorganger in Den Haag te melden.

Het luistert nauw. Priesters op het Maidanplein in Kiev, Oekraïne, grepen tijdens de revolutie spontaan naar de liturgie als noodmiddel om een groter bloedbad te voorkomen: liturgie als vredestichter. Vredesdiensten in de Nicolaikerk in Leipzig vormden de aanzet tot de val van de muur: liturgie als toerusting voor een politieke revolutie. Er zijn ook minder sympathieke voorbeelden van liturgie in de politieke hitte. Amerikaanse evangelicals maken van hun kerkdiensten beschamende Trump rallies: liturgie als partijbijeenkomst. Noord-Ierse protestanten en katholieken in hun strijd voor of tegen onafhankelijkheid hielden concurrerende kerkdiensten waarbij de ene het volume nog hoger draaide dan de andere: liturgie als wapenwedloop en worship wars.

Ik juich toe dat de kerk politiek spreekt en dat zij pleit voor een kinderpardon. Ik ben terughoudend om liturgie in te zetten als wapen in de strijd.

[Dit Blog werd geschreven voor en zal worden gepubliceerd in Woord en Dienst, december 2018.)



  Share on:
30 augustus 2018 - :

Kaggelkakkie

Mijn vrouw, Anne Margriet Pot, is sinds vandaag, haar verjaardag, eigenaar van een woord. Dat zit zo.

 

Afrikaanse literatuur

Door onze lange relatie met Zuid-Afrika zijn we ook liefhebbers geworden van de Afrikaans taal, nauw verwant aan het Nederlands en voor 90% afkomstig uit het Nederlands. De Afrikaanse literatuur roept heel andere werelden dan de onze in het aanzijn. Het onmetelijke landschap, het harde boerenbedrijf,de liefde voor de grond,de verhouding tussen de Afrikaners en de oorspronkelijke bevolking, uiteindelijk de apartheid en de strijd, en de moeizame weg naar een nieuw Zuid Afrika — het zijn volkomen andere thema’s dan in de Nederlandse literatuur. En toch is de taal zo herkenbaar (voor wie zich even door de eerste tien bladzijden heen heeft gelezen). 

Kleur kom nooit alleen nie van Antjie Krog, Die laaste Afrikaanse boek van Karel Schoeman, Buys van Willem Anker, Triomf en Agaat van Marlene van Niekerk, de gedichten van N.P. Van Wyk Louw, Ingrid Jonker, Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach, Philida en ‘n Vurk in die pad van André Brink, Kringe in ‘n bosFiela se kind en Moerbeibos van Dalene Matthee,  Eilande van Dan Sleigh, Syferfontein van Cas Wepener, Abjater wat so lag van Wilma Stockenström, Fees van die ongenooides van P.G. Du Plessis, Die swerfjare van Poppie Nongena van Elsa Joubert, maar ook documenterende boeken zoals Soos familie van Ena Jansen, om maar een willekeurige greep in een al even willekeurige volgorde uit mijn boekenkast te doen, — ik heb ze verslonden.

 

Kaggelkakkie

De liefde voor het Afrikaans wordt vanzelfsprekend gevoed doordat we regelmatig in het land komen en door vrienden die Afrikaans spreken (wij spreken Nederlands terug). Dan gaat het gesprek als vanzelf dikwijls over verschillen en overeenkomsten tussen het Nederlands en Afrikaans. En soms pik je een woord op dat op geen Nederlands woord lijkt maar zich meteen voordoet als laat ik zeggen noodzakelijk, onmisbaar en adequaat

Met onze vrienden Judy en Ian Nell waren we eens in Prins Albert, in de Karoo. We stonden in een winkel bij een rek met snuisterijen en prullaria (om maar een paar mooie Nederlandse woorden te gebruiken), waarop Ian, die het zat was, uitriep: “Kaggelkakkies!” Mijn vrouw vond dat een enorm grappig woord en bleef het herhalen — uiteraard op z’n Nederlands uitgesproken, met een mooie g diep in de keel. Dat vonden onze vrienden op hun beurt weer erg grappig. 

Geef toe, het ìs ook een heerlijk woord, een woord om van te houden, met dat mooie ritme van allitererende k’s en assonerende a’s! En de skatologische referentie in het tweede deel van het woord is natuurlijk altijd om te lachen (vind ik dan, — er zijn meer mensen die daar last van hebben weet ik). Voor een Hollander klinkt het Afrikaanse ‘Kak!’ heel wat krachtiger en zeker grappiger dan het Engelse ‘shit’. En een kachel roept ook nog eens warme nostalgische jeugdherinneringen op. Kortom, het woord heeft alles. Spreek het uit en een puur geluk wordt je deel.

Mogelijk dat de correcte spelling een spatie tussen beide delen van het woord vereist maar — let daar even op alsjeblieft — vanaf vandaag is het één woord. Ook is het mogelijk dat het woord niet eens bestaat. Maar wat geeft dat? Denk nog eens aan wat Kees Stip voor het scholven heeft betekend:

 

            Aalscholvers denken allemaal:

            ‘Kun je nog scholven, scholf dan aal.’

            Doch door de golven diep bedolven

            wil weinig aal zich laten scholven.

            Zo scholft zo’n beest zich uit de naad

            terwijl het woord niet eens bestaat.

 

Het verhaal over het kaggelkakkie vertelde zich rond en het woord ging in de loop der jaren bij ons horen, altijd goed vooreen vrolijke lach, en soms een semi-ernstige frons van academische vrienden die het niet geheel gepast of zuiver Afrikaans vonden. Een bijkomend voordeel: de geschenken over en weer hoefden voortaan de omvang van een kaggelkakkie niet meer te boven te gaan.

 

Zinnige nonsens

Op een gegeven moment ontdekte ik het Woordeboek van die Afrikaanse Taal, equivalent van wat nu aan de Universiteit Leiden het Instituut voor de Nederlandse Taal heet maar vroeger het Instituut voor Nederlandse Lexicologie. Tussen 1864 en 2001 stelde het instituut het Woordenboek der Nederlandsche Taal (43 delen, 49.255 pagina’s, 350.000 - 400.000 woorden) samen en publiceerde het. Nu is het ook online (aan lyn, zeggen ze terecht in het Afrikaans) te raadplegen. Het Woordeboek van die Afrikaanse Taal is gevestigd aan de Universiteit Stellenbosch, waar ik buitengewoon hoogleraar ben. Ik ontdekte dat je daar tegen een gering bedrag een Afrikaans woord kunt borgen en tegen een aanzienlijk bedrag zelfs kunt kopen. Ik nam contact op met directeur dr. Willem Botha en bleek kaggelkakkie als geschenk voor de verjaardag van mijn vrouw te kunnen kopen.

De mogelijkheid een woord te borgen of kopen is een ludieke sponsoractie. Het is vanzelfsprekend baarlijke nonsens  dat een woord je eigendom zou kunnen zijn of worden. Je kunt kwalijk heffingen opleggen aan gebruikers van je eigendom’ of er een bordje Verboden Toegang bij zetten. Iets anders is dat er mensen zijn die zich eigenaar van de taal wanen. Die eenzijdig het discours bepalen en anderen knevelen en knechten met hun taal.  Dan worden woorden exclusief gebruikt: uit-sluitend, om anderen uit te sluiten. Taal oefent macht uit en roept zoals gezegd werelden in het aanzijn. In de mond van ondemocratische machthebbers wordt taal uiterst gevaarlijk. Juist het Afrikaans staat wat dat betreft historisch gesproken niet onschuldig. Het is misbruikt door een regiem dat bij uitstek uit-sluitend wasHet Afrikaans moet er mee leven dat het de taal van het apartheidsregiem is geweest, opgelegd aan miljoenen die een andere taal spraken. Ook toen was er trouwens al een onderstroom in het discours die juist verzet aantekende tegen het dominante discours, bijvoorbeeld de poëzie van Breytenbach of de taal die ds. Beyers Naude in zijn preken gebruikte.

De ludieke sponsoractie van het Woordeboek van die AfrikaanseTaal staat verre van dit soort machinaties van de macht. Het is bovendien zo dat kaggelkakkie een volstrekt onschuldig woord is. Een Skatopolis-op-de-schoorsteen mag onwelriekend zijn, verder is het geheel ongevaarlijk. Inmiddels is het Afrikaans een van de twaalf officiële talen van Zuid-Afrika. Naast het Engels zijn dat verder het Zuid-Ndebele, het Zuid-Sotho, het Noord-Sotho, Swazi, Tsonga, Tswana, Venda, Xhosa en Zoeloe. Over de verhoudingen tussen die talen is nog veel te zeggen, maar dat doe ik nu niet. Voor nu was er wat mij betreft een goede reden om ook deze minderheidstaal — de schattingen zeggen dat zij door ongeveer zeven miljoen mensen als eerste taal gesproken wordt (en even voor de Nederlanders: dat zijn zeker niet uitsluitend blanken)— te koesteren. En om het Woordeboek te steunen. Ik vond het kortom zinnige nonsens om een woord — wat heet — te ‘kopen’. 

 

Wat het kaggelkakkie betreft, wij zullen het veilig bewaren en koesteren en jullie zijn hartelijk uitgenodigd het frank en vrij te gebruiken. Open access,zo gezegd. Pardon, vrije toegang.

 



  Share on:
13 juni 2018 - :

Verminkt, verkracht, doodgeknuppeld, afgemaakt. Genocide-herdenkingsrituelen in Rwanda. Een persoonlijke impressie

In de eerste helft van juni bracht ik een field visit aan Rwanda waar een promovendus werkt op herdenkingsrituelen van de genocide in 1994. In een half jaar tijd werden ongeveer een miljoen voornamelijk Tutsi’s en ook gematigde Hutu’s verminkt, verkracht, vermoord met machetes,geweren, messen, knuppels of wat er maar voor handen was. Het bloed roept van de aardbodem; velen ook zijn in rivieren gegooid en nooit meer teruggevonden. De United Nations keken een half jaar toe, niet in staat iets te doen. 

Ik was uitgenodigd deel te nemen aan de herdenking in Kerinda, de eerste Presbyteriaanse missiepost in het land, waar meer dan 1000 mensen, onder hen veel ziekenhuispatiënten, werden vermoord. 

Dit verhaal is niet meer dan een persoonlijke impressie van een eerste bezoek aan het land, al spoort die wel opvallend goed met wetenschappelijke publicaties. De — naar zich laat raden: uitermate complexe — realiteit van herinnering en herdenking in post-genocide Rwanda zal te zijner tijd in alle genuanceerdheid worden gepubliceerd in de dissertatie van mijn student.

 

Rwanda: een autorit over het platteland

Urenlang rijden we over een onverharde weg, regen en trucks hebben diepe sporen getrokken. We nemen ze voorzichtig, proberen er langs te komen, rijden net over de rand, gaan er juist midden in rijden, of nemen ze overdwars. De schokbrekers kraken en geven hun laatste krachten. Langs de weg eucalyptusbomen en akkertjes, kleine bananenplantages, aardappel- en maisveldjes, cassave, zoete aardappelen, citroengaarden, rietsuiker, en in de dalen rijstperceeltjes. Huisjes, vaal grijsbruin of bruin afgesmeerd met uit de lokale grond gemaakt cement, een deur in het midden, twee ramen aan weerszijde. Geurvlagen van eucalyptus en kleine houtvuurtjes waaien de auto binnen. Het ruikt naar Afrika. We zeggen niet veel. De auto klimt langzaam een heuvel op, daarachter ligt een andere heuvel, en daarachter weer een, en zo zonder ophouden, een eindeloze herhaling van een vriendelijk landschap in ontelbare variaties. Als we bovenop een hoge heuvel staan overzien we het brede landschap tot aan de hoge bergen op de grens met de Congo. Rwanda, het land van de duizend heuvels. Groene heuvels, altijd weer groene heuvels. Lichtgroen, donkergroen, olijfgroen, turquoise, chroomoxide groen, groene aarde, viridiaan. Het hele palet tussen de blauwen en de gelen in. Een weelderige tuin van Eden, — maar de mens is dan ook in Afrika ontstaan. Ze zijn er nog steeds, de mensen, ik zie ze overal, mensen, nergens zijn geen mensen, ze staan gebogen met een hak in de veldjes — Van Gogh op zijn Afrikaans — ze zitten, liggen of staan voor hun huizen, en ze lopen, alleen, in tweetallen, in groepen, langs de wegen, overal, altijd, met een zwaar beladen fiets aan de hand, twee olievaten achterop gebonden, bossen eucalyptustakken, houtbundels. Vrouwen, kleurige doeken omgebonden, een bonte hoofddoek omgeknoopt, met zakken meel en jerrycans water op hun hoofd, takkenbossen, dozen met vruchten en aardappelen. Of mensen in tweetallen op motorfietsen of fietsen die dienst doen als taxi’s, of in tientallen in kleine busjes gepropt, vaak tweedehands uit Europa, de Duitse reclameteksten er nog op, of chauffeurs in trucks die tergend langzaam de hellingen op kruipen of kleine vrachtwagentjes die een enorme stinkende zwarte rookwolk uitstoten. En kinderen, overal kinderen, in hun mooie of vaak ook armoedige okergele schoolkleding, vuil en vaal, nog maar één knoop aan hun jasje. Vaak zijn ook zij aan het sjouwen met jerrycans water of rijst of wat dan ook op hun hoofd of schouder. Witte man! – roepen ze zonder ophouden terwijl ze een eindje met de auto mee rennen en lachen. Arme mensen, maar de meesten die ik zie zijn niet straatarm. Daarvoor moet je dieper het platteland in begrijp ik. En ook zijn er overal dieren, in kleine groepjes of alleen, een paar koeien, een paar geiten, soms een herder erbij, kippen.

 

Genocide-herdenkings in Kerinda: rituelen in drie stappen

Uiteindelijk komen we aan in Kerinda, de eerste missiepost van de Presbyterianen in Rwanda, in het zuidwesten. We zijn gekomen voor de herdenking, dit jaar op 8 en 9 juni, van de genocide in 1994. Een groot complex, bestaande uit een basisschool en een school voor voortgezet onderwijs, een ziekenhuis met honderd bedden, een kerk en kantoren van de kerk liggen er op een hoge heuvel min of meer alleen in het weelderig groene landschap. Diep beneden, onderaan de heuvel en tussen de heuvels door stroomt een brede en volle rivier.

 

Een informele herdenking: verhalen in het donker rond een laaiend vuur

Op zaterdagavond verzamelen mensen van het complex en uit de buurt zich op het grasveld voor het ziekenhuis. Er zijn rijen houten bankjes en plastic tuinstoelen neergezet, sommige delen zijn met een zeil overdekt. In het midden stoken jongeren een groot vuur. De sfeer is ingetogen maar informeel, er heerst stilte, alleen het zoemen en tjirpen van insecten of van een late vogel en het geknetter van het houtvuur breken de stilte. En de enkele stemmen van de getuigen van de genocide. Rond het vuur worden de verhalen verteld en herinneringen levend gehouden. Mensen vertellen elkaar vooral dat dit nooit meer mag gebeuren, dat zij één volk zijn, en vooral ook dat ze nu anders dan toen zulke goede leiders hebben. Lokale verhalen van mensen die betrokken waren of die nu op een of andere manier verantwoordelijkheden dragen in kerk, ziekenhuis of herdenkingscomité. Een verpleegkundige vertelt dat ze in het ziekenhuis werkte toen het hospitaal anderhalve dag omsingeld werd door mannen met machetes, hoe ze weggingen, maar weer terugkwamen, zoals later bleek nadat ze beneden in het dal de bevolking hadden uitgemoord. Hoe ze toen het ziekenhuis binnendrongen en de patiënten begonnen af te maken, te slachten, te mismaken en daarna stuk te hakken. Here Jezus. De volgende morgen zijn veel lijken in de snelstromende rivier gegooid om nooit weer te worden geborgen — de pijn daarover klinkt in veel verhalen door. Er worden verhalen verteld van nog altijd voortdurend ongeloof over hoe sommige predikanten en artsen hun mensen verraden hebben of zelfs hebben deelgenomen aan de slachtpartijen. Een koor van jongeren sluit de avond af met een lichtritueel, er worden kaarsjes aangestoken en op een tafel gezet. Tijdens de slotwoorden blaast de wind ze in één keer uit. Zo is het toen ook gegaan met al die levens. Ik loop met een zwaar gevoel op mijn maag langs het ziekenhuis naar het guesthousewaar ik overnacht. Als ik ’s nachts wakker word moet ik denken aan de gekmakende angst die die omsingelde mensen in hun ziekenhuisbedden toen moeten hebben gevoeld. Het is onvoorstelbaar, ik kan er niet bij. Om vijf uur word ik alweer wakker van het enthousiaste en luide gezang van een morning worship die bij een van de scholen begonnen is.

 

Aan de rivier: bloemen op een snelstromend graf

Het eerste deel van de herdenking de volgende morgen is tamelijk informeel. We verzamelen ons om negen uur met zo’n goede honderd mensen beneden aan de rivier. Mannen in pak, vrouwen in kleurige kleren. De locoburgemeester, een vrouw van in de dertig, schat ik, is er bij en een senator, ook een vrouw, is guest of honor, verder de president en vicepresident van de Église Présbyterienne au Rwanda, de laatste een vrouw met een Master Degree van mijn universiteit in Nederland. We moeten tot elf uur wachten in de brandende zon en de oplopende hitte (ik kan toch kwalijk een outdoor petje opzetten bij mijn kostuum …) totdat de eigenlijke herdenking begint: de families van de vermoorden hebben vertraging opgelopen vanwege de slechte staat van de weg. Niemand kijkt er van op. Een paar met geweren bewapende soldaten en een paar meer idem politiemensen zijn opvallend aanwezig aan de rand van het publiek. Ik probeer opnieuw mij een voorstelling te maken van de verschrikkelijke catastrofe die zich in dit lieflijke en prachtige landschap heeft afgespeeld – het lukt me net zo min als het me afgelopen nacht lukte, of het me lukt in de nazi-kampen, of in Noord-Frankrijk, in de Loraine of de Elzas. Alles bloeit. Ik moet aan de uitdrukking van Rutger Kopland denken: ‘schuldig landschap’. Het landschap heeft zich geleend voor een misdaad die zijn weerga niet kent en daarmee staat het in al zijn schoonheid schuldig. Als de families arriveren, duurt de herdenking niet langer dan een kwartier. Na een korte toespraak worden de families en genodigden uitgenodigd bloemstukken of bloemen in het water te gooien. Zo ook de gast uit Nederland. Ik gooi mijn witte lelie op de vlietende stroom en bedenk me hoe merkwaardig het is dat ik zo ineens deel krijg aan een ramp die in al zijn verschrikking toch nooit meer dan een serie krantenartikelen was geworden. Bij het monument op een heuveltje aan de rivier met namen van slachtoffers, worden inmiddels ook bloemstukken geplaatst. De bloemstukken en bloemen drijven met hoge snelheid weg op de stroom. Zo is het toen ook gegaan met die lichamen.

 

Een officiële herdenking: toespraken in de denderende hitte

Weer boven op de heuvel begint op de zelfde plek als de voorgaande avond bij het ziekenhuis de officiële herdenking, georganiseerd door de Église Présbyterienne au Rwanda en de lokale autoriteiten samen. Onopvallend observeren, wat ik het liefste zou doen, lukt als enige blanke al lastig, nu moest ik ook nog mee in het cortège van zo’n veertig predikanten, alle in exact dezelfde zwarte toga met precies dezelfde stool; vanwege de aard van de bijeenkomst werd de witte bef achterwege gelaten. Enfin, ook dit is een vorm van participatie en geeft een perspectief op de zaak. We zaten onder een zeil waar de brandende middagzon op stond te denderen en luisterden vier uur lang, zonder pauze, naar meer dan tien toespraken, — de sprekers namen de tijd. De locoburgemeester, de senator, een ooggetuige, de Vice-Chancellor van de Protestant Institute of the Arts and Social Sciences, de vice-president van de Église Presbyterienne, en nog zo enkelen. Er werd niet geapplaudisseerd, de toon was zonder uitzondering ingetogen, emoties werden ingehouden, behalve toen één zanger de microfoon kreeg. Een paar maal wisselde een koor of zanger de sprekers af of zongen we een lied uit de bundel van de Presbyteriaanse Kerk. Wat in mijn inmiddels bijna kokende hersenen vooral binnenkwam uit de flarden van een niet altijd even goed verstaanbare vertaling die ik uit het Kinyarwanda kreeg, was de gelijkvormigheid van veel verhalen. Ze leken allemaal de nationale narrative  op een of andere manier te weerspiegelen (daarover zo dadelijk meer). Maar er valt ongetwijfeld nog veel meer over te zeggen en ik zie uit naar de transcripten en de analyses die mijn student van de toespraken gaat maken. Familieleden van slachtoffers en de officials legden bloemen en bloemstukken op de graven. Het spreekgestoelte stond naast het massagraf en monument en was gericht op de officials, op ons dus. Terzijde zaten de buurtbewoners en personeel van het ziekenhuis, deels in de volle zon, — sommigen hadden hun parasolletje meegebracht. Iedereen luisterde ademloos, er was nauwelijks beweging, en een intense betrokkenheid.

 

Murambo Genocide Memorial: staging the narrative

Het zandweggetje naar Murambi Genocide Memorial, in het zuiden van het land, is smal en abominabel, maar leidt naar het imposante en smetteloze, met een open ijzeren hek afgepaalde, terrein van de herdenkingsplek. Links staat de ruïne van een school, dan volgt een enorme bestrate vlakte die als parkeerterrein dienst doet, daarachter ligt een nieuw laag gebouw met een tentoonstelling over de genocide en de voorgeschiedenis ervan, tenslotte een hele reeks bakstenen schoolbarakken zoals je ze hier in het land overal ziet, de zalen waar de leerlingen verbleven en in 1994 werden verkracht, verminkt, vermoord. Alles is keurig aangeveegd, smetteloos en geordend. We zijn de enige bezoekers. Nadat we welkom zijn geheten mogen we zelf de tentoonstelling bekijken. Foto’s uit de koloniale tijd, koning Boudewijn op bezoek in Rwanda, achtereenvolgende regeringen en presidenten, en tenslotte ook van de genocide en de hoofddaders, de bedenkers en organisatoren ervan. Foto’s van slachtoffers besluiten de expositie. De foto’s gaan vergezeld van grote hoeveelheden tekst die weinig ruimte laten voor nuances, laat staan voor een eigen interpretatie, ze vertellen de officiële narrative van de regering van president Kagame en zijn Rwandan Patriotic Front, RPF. Het zijn de kolonisatoren die met steun van vooral de rooms-katholieke zendelingen de tegenstellingen tussen Hutu’s en Tutu’s hebben uitgevonden, voordien leefden ze in vrede en zonder problemen naast elkaar. Er is genoegzaam aangetoond dat dat verhaal tenminste nuance behoeft: al voor de koloniale tijd bestonden er tegenstellingen en spanningen tussen Hutu’s en Tutsi’s. Wat zeker niet wil zeggen dat de kolonisatoren schone handen hebben: zij hebben het op hun geweten de bestaande tegenstellingen te hebben gebruikt en op de noemer van ras te hebben gebracht. Het instrument waarmee zij regeerden heet racisme, en precies dat heeft in Rwanda tot de genocides van de twintigste eeuw geleid. In Murambi wordt de humanitaire ramp sterk vanuit de huidige dominante politieke visie ingekaderd en ontbreekt kritische zelfreflectie. Dat maakt de memorial site bij tijden tamelijk onverteerbaar. De gids voert ons over het terrein en leidt ons naar een plek waar een bord vertelt hoe de Franse troepen die uiteindelijk Rwanda binnenkwamen, voetbalden bij de massagraven, de aanvallers beschermden, en de slachtoffers verkrachtten. Tenslotte waarschuwt de gids me dat de laatste vijf of zes barakken confronterend zijn: er liggen gemummificeerde lijken uit de massagraven tentoongesteld, opdat wij niet vergeten. De gedachte aan het voorgoed opbaren van een lichaam vind ik al vreemd, maar ik haak inwendig volledig af als de gids mij in de eerste barak op een vrouw wijst wier keel is doorgesneden nadat zij is verkracht: zij ligt er nog altijd naakt en wijdbeens bij. Er breekt iets in me (sorry, ik laat me even gaan): het verschrikkelijkste overkomt je, alle eer wordt je als vrouw met grof geweld ontnomen in je laatste uur, je wordt op een gruwelijke manier om het leven gebracht, en dan word je tenslotte geen begrafenis gegund, maar word je uitgestald ten eeuwigen leven in de pornostand… Je zult als nabestaande de memorial site bezoeken in de wetenschap dat die mummie je vrouw of dochter of moeder kan zijn… Ik zou ook wel eens willen weten hoe dit zich verhoudt tot  traditionele gedachten over de omgang met de doden en voorouders die ik eerder vaak tegenkwam in Afrika. Het komt op mij over als een nieuwe masculiene geweldsdaad, zij wordt opnieuw gebruikt, en weer en voorgoed is zij volkomen machteloos. Na drie zalen mummies, een paar zalen met vitrines vol dijbenen, sleutelbenen en tenslotte schedels met soms de plukken haar er nog op, eindigt de rondgang bij de enorme massagraven waarin de menselijke resten die tot op de dag van vandaag in de omgeving worden gevonden hun laatste rustplaats vinden. Deze doden mogen rusten in de aarde. Sommige graven zijn voorgoed afgedekt , andere hebben een luik waardoor nieuw gevonden resten nog kunnen worden begraven. Er staan bloemstukken op. Er liggen hier zo’n 55.000 mensen. Ik vergeet voor even weer mijn irritatie.

 

Gisozi Genocide Memorial Site, Kigali: een iets genuanceerdere narrative in een booming city

Gisozi Genocide Memorial Site in Kigali, de hippe, booming, moderne, westers-aandoende hoofdstad van het land, is iets genuanceerder en kennelijk meer gericht op de buitenlandse toeristen die hier, zij het in kleine getale, ook lopen. De tentoonstelling zet wat meer in op de humanitaire kant van de genocide, al worden ook hier de heldendaden van het regerende Front Patriotique Rwandais bepaald niet vergeten. Dat heeft als bevrijdingsbeweging in 1994 de genocide weten te stoppen, maar daarna was het met de mensenrechten al snel niet best gesteld, en zo is het gebleven tot op de dag van vandaag. Kan vrijheid bestaan zonder de vrijheid om kritisch naar de eigen geschiedenis en macht te kijken en daar openlijk over te discussiëren? – het is die vraag die bij me opkwam en die ik precies zo teruglas bij Gerard van ’t Spijker (zie hieronder). Ik krijg er een vervelend gevoel bij, dat wordt versterkt door de dwangmatige manier waarop suppoosten mij door de tentoonstelling gidsen — aan het einde van iedere zaal word ik naar een volgende geleid en ik mag niet kriskras door de expositie heenlopen. Opnieuw een zaal met knekels en schedels, maar dan opeens een zaal die mij raakt, een zaal met kleding en voorwerpen die uit de massagraven gekomen zijn. Mooie doeken, Levi’s jeans, T-shirts met New York-opdruk, een versleten schooluniform, een hip minirokje, een identiteitskaart, kettinkjes en armbandjes, sandalen,  — sporen van mensen die er niet meer zijn, een aanwezigheid in afwezigheid, een tevoorschijn komen van wat niet meer is, een openbaar worden van wat voorgoed verborgen is. Het oplichten van personen, individuen, persoonlijkheden, namen waarmee ze waren gekend bij God en de mensen, waarmee hun geliefden ze hebben aangesproken, te midden van een anonieme massa die zo groot is dat het onbevattelijk is. Ineens komt de overweldigende en mateloze waanzin heel dichtbij. Het waren mensen zoals ik. Aan het einde van de tentoonstelling word ik door een gids min of meer gedwongen een boodschap van hoop op te schrijven. Vreemd, hier gebeurde iets verschrikkelijks dat alle voorstellingsvermogen te boven gaat, het werd uitgelegd en zichtbaar gemaakt, en opnieuw wekt het bij tijd en wijle mijn irritatie. Dat heb ik in de nazikampen in Europa of bij de Herero-monumenten in Namibië nooit gehad. Ik ken het wel van Freedom Park in Pretoria, de officiële memorial site van alle Zuid-Afrikaanse oorlogen dat eveneens de bezoeker een eendimensionale narrative opdringt.

Gisozi herdenkingspark ligt op een heuvel in de stad, en op de helling zijn terrassen gevormd waarin opnieuw massagraven zijn gegraven, afgedekt met eenvoudige ruwe betonnen platen. Ook hier is een van de graven open; nog altijd worden er in en om Kigali menselijke resten gevonden. Er liggen hier naar schatting een kwart miljoen mensen. 

Onderaan de heuvel heeft het moderne leven zijn loop hernomen, duizenden en duizenden taxi-motoren, personenauto’s en kleine vrachtautootjes zonder uitlaat razen, stomen, knetteren, gieren en toeteren door elkaar heen. En soms tegen elkaar aan. Ik wil niet weten hoeveel fijnstof ik heb ingeademd deze dagen.

 

 

Verantwoording en verder lezen

Een uitstekende introductie in de rol van de kerken in Rwanda voor en na de genocide, die mij meteen adequate achtergrondinformatie bij mijn observaties gaf en op sommige punten zeer sterk overeenkwam met mijn oordelen (bijvoorbeeld over het tentoonstellen van lichaamsdelen en over de officiële narrative van de genocide), is: Gerard van ’t Spijker, L’Église chrétienne au Rwanda pré et post-génocide, Paris: L’Harmattan, 2011. De auteur heeft van 1973 – 1982 en van 1995 – 1999 in Rwanda gewerkt en wordt alom in de Presyteriaanse Kerk geprezen om wat hij voor de kerk daar heeft betekend. 

 

Voor informatie over het land zie bijvoorbeeld:  

-       voor de economische situatie: http://www.worldbank.org/en/country/rwanda

-       voor de mensenrechten: https://www.hrw.org/africa/rwanda

-       voor de gezondheid: http://www.who.int/countries/rwa/en/



  Share on:
23 maart 2018 - :

Laudatio, uitgesproken bij de uitreiking van Teylers Gouden Erepenning aan Lieke Wijnia

(foto Hilde de Wolf)

Kun je musea als plaatsvervangers van kerken zien en hebben bezoekers spirituele ervaringen bij het zien van kunst? Kunsthistorica Dr. Lieke Wijnia (1985) schreef een antwoord op deze vragen, waarmee ze op vrijdag 16 maart de Gouden Erepenning won van het Godgeleerd Genootschap van Teylers Stichting. De stichting en de genootschappen zijn al sinds 1778 actief om kunst en wetenschap te stimuleren. In 1784 opende de stichting Teylers Museum. De verhandeling van Wijnia -- In Pursuit of the Sacred. The Museum as Laboratory in the Contemporary Quest for God -- zal later als wetenschappelijke monografie worden gepubliceerd.

 

Inleiding: Teylers en religie

Als de Haarlemse koopman en fabrikant Pieter Teyler van der Hulst in 1778 sterft, benoemt hij bij testament vijf Directeuren, die tot taak krijgen met zijn erfenis 1. de godsdienst te bevorderen; 2. de kunsten en wetenschappen aan te moedigen; en 3. arme en noodlijdende mensen te helpen. Om de beide eerste doelen te bereiken worden twee genootschappen opgericht: Teylers Godgeleerd Genootschap en Teylers Tweede Genootschap (waarin de overige disciplines vertegenwoordigd zijn). Bij de uitvoering van hun opdracht stonden de leden van de genootschappen Teylers omvangrijke collecties en bibliotheek ter beschikking, nu de kern van Teylers Museum. Als middel gebruikten de genootschappen de prijsvraag. Dit gehele complex van genootschappen, collecties, bibliotheek en prijsvragen bestaat onafgebroken tot op de dag van vandaag, en ik beschouw het altijd als een bijzondere eer één van de zeven leden van Teylers Godgeleerd Genootschap te mogen zijn.

Vier jaar na Teylers dood laten de Directeuren de beroemde Ovale Zaal van wat nu Teylers Museum is, ontwerpen en bouwen. Die zaal is tegelijkertijd een natuurkundig laboratorium en een sterrenwacht, waar spoedig behalve wetenschappelijke instrumenten ook mineralen, globes etc. werden getoond. De boekenkasten die de zaal als het ware bekroonden, dekten de gehele wetenschappelijke encyclopedie van die dagen, inclusief de theologie — met als kroon van dat wetenschappelijke universum het grote project van de Franse Verlichting, de Encyclopédie van Diderot en d’Alembert. Zo werd, naar de inzichten van de toenmalige directeuren, de ovale zaal een afbeelding van de schepping voor – in de woorden van een theoloog uit die dagen – ‘natuurbeschouwinge, … om U en mij te verheffen tot den eeuweigen God, den aanbiddelijken Maker van het Heelal’ (J.F. Martinet, Katechismus der natuur).

 

 

1. De prijsvraag van Teylers Godgeleerd Genootschap 2014

Kortom, in het Teylercomplex wordt al sinds haar stichting de vraag naar de verhouding van wetenschap, kunst en religie aan de orde gesteld. Dat is ook de vraag die mij al veertig jaar bezighoudt en die mij zo verbindt met dat huis. Nu is er wel een en ander veranderd sinds de achttiende eeuw. Wetenschap en kunst houden de religie liever op afstand. Dat is historisch goed te begrijpen; de religie heeft immers maar al te vaak de wetenschap en de kunsten voor de voeten gelopen, en men moet de zaken ook niet zomaar met elkaar vermengen, laat staan verwarren. Bovendien heeft buiten theologie en religiewetenschappen de zogenoemde secularisatiethese nog altijd aanhang: met het voortschrijden van de moderniteit neemt de religie evenredig af, en in de seculiere westerse wereld is haar rol uitgespeeld. Theologie en religiewetenschap spreken tegenwoordig niet meer zozeer van secularisatie, als wel van een post-seculiere cultuur, en van transitie en transformatie van religie. Zij heeft zich buiten de muren van de traditionele instituties — de kerken — begeven, maar daarbuiten, dus ook buiten alle conventionele gezagsstructuren, handhaaft zij zich in een veelheid van praktijken, opvattingen en vormen. In veel postmoderne theologie worden kunst, wetenschap en religie juist ook weer in hun onderlinge verhouding tot elkaar onderzocht. Je kunt je afvragen of Teylers Ovale Zaal niet een vroege expressie van zo’n verplaatste en omgevormde vorm van religie is. En zijn kunst, museum en religie niet, de zogenaamde secularisatie ondanks, toch steeds weer allianties aan blijven gaan? Lopen we niet achter de feiten aan, als we in onze studies naar kunst en museum de religie geheel buiten beschouwing laten? Toen ik in 2014 aan de beurt was een prijsvraag uit te schrijven voor Teylers Godgeleerd Genoorschap, was het thema snel gevonden: ik vroeg om ‘een onderzoek naar het museum als eigentijds laboratorium voor de queeste naar God’. Enkele jaren later waren de leden van Teylers Godgeleerd Genootschap en de Directeuren van Teylers Stichting unaniem van mening dat het antwoord dat Lieke Wijnia op de prijsvraag inzond, In Pursuit of the Sacred. The Museum as Laboratory in the Contemporary Quest for God, bekroond zou worden met een Gouden Penning. En het is mij een grote eer vanmiddag hier de loftrompet te mogen steken over de laureate en haar publiekelijk namens het Godgeleerd Genootschap te mogen feliciteren met haar prachtige essay en het goud dat zij ermee behaald heeft.

 

2. Het oordeel van Teylers Godgeleerd Genootschap over de inzending van Lieke Wijnia

Ik lees graag het oordeel van het Godgeleerd Genootschap over de inzending van Lieke Wijnia voor:

"Het ingezonden antwoord op de prijsvraag is een zeer rijk stuk. De auteur is uitstekend ingevoerd in verschillende museale, religiewetenschappelijke en filosofisch-theologische debatten. Hij of zij (dat wisten we toen nog niet) combineert de in de Praktische Theologie veel gebruikte etnografische benadering met theoretisch-filosofisch-theologische benaderingen, en positioneert deze twee benaderingen in de context van het museum en de westerse post-seculiere cultuur. Door een gedegen kennis van Religious and Theological Studies en Museum Studies resulteert dat in een zeer origineel werk. De inzending heeft een heldere schrijfstijl."

"Het ingezonden antwoord voldoet in ruimte mate aan de gestelde vraag, een onderzoek naar het eigentijdse museum als laboratorium in de hedendaagse queeste naar God. Het onderzoek wordt zowel theoretisch als vooral aan de hand van twee goed gekozen casus uitgevoerd, en tenslotte worden heldere conclusies getrokken die de complexiteit van de vraag zelf en van de in de vraag genoemde noties recht doen. De verschillende in de prijsvraag genoemde noties worden duidelijk en adequaat uitgewerkt, en consequent gehanteerd. De auteur heeft een goed overzicht van de literatuur, hanteert met een zeker gemak verschillende disciplines, zoals de in de Praktische Theologie veel gebruikte etnografie, maar ook de filosofie en de theologie, en zeker ook Religious Studies en Museum Studies. De auteur zoekt naar antwoorden op het snijvlak van al die disciplines. Het onderzoek toont overtuigend aan dat in pursuit of the sacred kunst en religie zich beide aandienen als mogelijkheden om het gewone leven te intensiveren ‘with hints of the non-ordinary’ en dat het contemporaine kunstmuseum in de post-seculariteit de ruimte daarvoor kan bieden. In een Epiloog geeft de auteur ook aanwijzingen hoe een en ander praktisch vorm kan krijgen."

"Om die reden stelt Teylers Godgeleerd Genootschap de Directeuren van Teylers Stichting voor deze inzending met een Gouden Penning te bekronen."

 

3. Nadere overwegingen bij het bekroonde werk

Ik ga nog wat nader op het bekroonde werk in, dat de auteur inderdaad als ‘essays’, ‘pogingen’ presenteert; zij doet voorstellen en nodigt uit tot gesprek over haar proposities.

 

Open begrippen

Allereerst iets over de manier waarop de prijswinnaar de verschillende noties die in de prijsvraag werden genoemd uitwerkt, met name ‘museum’, ‘God’ en ‘het heilige’. Zij zoekt geen afsluitende definities van die termen, maar houdt ze welbewust open. Het museum wordt in de verhandeling consequent benaderd als wat wel genoemd wordt ‘museum culture’: het complexe samenspel tussen kunstenaars, kunstwerken, curatorpraktijken, ervaringen en gedrag van bezoekers, de architectuur van het museum, collecties, etc. Dit impliceert, dat ‘museum’ ook breder wordt opgevat dan als het klassieke museum; in de inzending wordt bijvoorbeeld ook de Biennale van Venetië als ‘museum’ beschouwd. De notie God wordt benaderd vanuit ‘the pursuit of the sacred’ (de zoektocht, of zelfs: de jacht, op het heilige — de titel van de inzending) in een post-seculiere cultuur. Daarbij gaat de auteur ervan uit dat er allerhande noties van ‘God’ naast elkaar bestaan, en dat die niet noodzakelijk of zelfs zeer waarschijnlijk onafhankelijk van religieuze tradities en instituties voortbestaan. Aan het einde van haar verhandeling concludeert Wijnia dat ‘the quest for God’ beter geherformuleerd kan worden als ‘multiple quests for a range of Gods’ – de vraag naar God wordt: ‘een veelheid aan vragen naar een reeks van Goden’. Het sacrale of spirituele karakter van moderne of laat-moderne kunst wordt steeds gedefinieerd als ‘ongedefinieerd’ en ‘niet-traditioneel’. Wijnia ziet het sacrale als ‘niet-onderhandelbare ultieme waarden’ in een cultuur, die individueel of collectief kunnen worden beleefd. Die waarden kunnen, maar hoeven niet noodzakelijk, worden gepersonifieerd als ‘goden’. Al in het begin van haar vertoog merkt zij op dat nieuwe sacrale vormen niet zelden esthetische kunstkwaliteiten bezitten.

Om kort te gaan, de laureate positioneert de prijsvraag in een complex geheel van museumpraktijken, waarin collectie, gebouw, curatoren, bezoekers, belichting, geldstromen etc. de context vormen voor heel verschillende vragen naar verschillende naast elkaar bestaande goden, die de uitdrukking zijn van niet-onderhandelbare, ultieme culturele waarden. Zo geeft zij een actueel beeld, niet alleen van het eigentijdse museum, maar ook van de eigentijdse cultuur en religie. Waar de eerste directeuren van Teylers Stichting met hun ontwerp van de Ovale Zaal alles nog in een schitterende eenheid zagen, is hier het beeld bij uitstek gefragmenteerd. Waar de Ovale Zaal als afbeelding van het universum, het geheel, de ene God van het monotheïsme weerspiegelt, worden we hier binnengeleid in een polytheïstisch discours.

 

Dialoog van kunst en religie, religiewetenschap en kunstgeschiedenis

Daarbij waakt Wijnia ervoor om alles op een hoop te gooien. Artistieke en religieuze praktijken, en religiewetenschappelijke en kunsthistorische disciplines, zegt zij, staan naast elkaar, en haar onderzoek gaat over dat ‘naast elkaar’: hoe verhouden zij zich tot elkaar en hoe zijn zij met elkaar in gesprek? Haar essay is zodoende, zonder dat de auteur dat zo noemt, een ‘transversaal model van een cross-disciplinaire dialoog’ (Richard Osmer en de Calvin Schrag). Kunst is geen religie en religie is geen kunst, religiewetenschap is geen kunstgeschiedenis en andersom, maar ze staan naast elkaar, zijn met elkaar in gesprek, en beïnvloeden elkaar. De verhouding tussen religie en museum blijkt niet eenduidig te zijn, maar — opnieuw — veelkleurig en veelvormig. Een aantal casus maakt dat duidelijk.

 

Casus

Wijnia maakt haar betoog concreet en ook aannemelijk door nadrukkelijk een aantal uitstekend gekozen casus te bespreken, zoals de prijsvraag ook suggereerde.

Zij zet in met een beschouwing over een Rodin-tentoonstelling in het Groninger Museum, meer specifiek de werken The Hand of God, The Gate of Hell en The Cathedral. Zij verwondert zich erover dat de toelichting in het museum de religieuze connotaties van de werken geheel negeert.

Twee grotere casus vormen de kern van haar verhandeling. In de ene concentreert zij zich op een religieus instituut dat zijn strategieën aanpast om het sacrale te communiceren in de wereld van de visuele kunsten, namelijk de twee paviljoens van het Vaticaan op de Biennale di Venezia 2013 en 2015. In het andere richt zij zich op een autonome kunstenaar die door middel van performances een spiritueel platform creëert voor zichzelf en de museum- of galery-bezoekers: Marina Abramoviç. Zij laat zien hoe de heilige Stoel al te nadrukkelijk in een spirituele taal over de kunst spreekt, en de kunst zelf daardoor in feite secundair wordt (een inzicht dat het Vaticaan wellicht inmiddels ook zelf heeft opgedaan, want op de laatste Biennale ontbrak het). De evaluatie van de casus over Abramoviç ontwikkelt Wijnia aan de hand van Peter Sloterdijks notie van ascese, die zij in verband brengt met Abramoviç die over haar  performances als over haar ‘methode’ spreekt. Wijnia duidt, in navolging van Francine Prose (New York Review of Books), de performances en de methode van Abramoviç als religieus. Maar, zegt zij, consequent, daarbij gaat het om ‘ongedefinieerde spirituele principes’ en een ‘onbepaalde religie’.

 

De conclusie in het vertoog van Lieke Wijnia

Zo maakt Wijnia in haar essay dus duidelijk, hoe het heilige zich in onze gefragmenteerde cultuur manifesteert in ongedefinieerde en onbepaalde vormen. Het manifesteert zich óók in de polyfone museumcultuur die bij die cultuur hoort,  ̶  het museum is immers een cultuurverschijnsel. En als het heilige al personifieert, dan eerder in polytheïstische vormen dan in monotheïstische. Wijnia laat, anders gezegd, aan de hand van twee artistieke praktijken zien hoe de cultuur eruit ziet – art is the signature of man, zoals G.K. Chesterton en in zijn spoor de eerste na-oorloge PvdA-minister voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, de theoloog Gerardus van der Leeuw, steeds weer herhaalden. En zij toont hoe religie een onlosmakelijk onderdeel van die cultuur en samenleving is. Interessant is hoe die inzichten hier en daar ook weer tot nieuwe kunstpraktijken leiden. Ik denk in dit verband aan de Oude Kerk in Amsterdam, nu officieel een museum in het Nederlandse en hoofdstedelijke cultuurbestel. In dat oude gebouw, geladen met historische en religieuze betekenissen, organiseert Jacqueline Grandjean spraakmakende tentoonstellingen (nu van Christian Boltanski) die welbewust een interferentie met het gebouw aangaan en dus religieuze betekenissen bij het ervaren van kunst uitlokken.

Ik haal nog een paar aspecten uit de conclusies van Wijnia naar voren. De spirituele of sacrale momenten in museale praktijken en waar dan ook laten zich niet meer vastleggen, en er zijn geen gezagsinstanties meer die dominante betekenissen kunnen fixeren, maar het religieuze vocabulaire wordt nog steeds als geschikt beschouwd om deze momenten te benoemen en om erover te communiceren. Anders gezegd, spirituele activiteiten hebben zich verder ontwikkeld buiten de kaders van de institutionele religie, maar de woordenschat om ze te beschrijven heeft zich daar niet verder ontwikkeld. En de vraag is of dit nodig of zelfs mogelijk zou zijn.’  

Op grond van met name haar casus zegt Lieke Wijnia concluderend dat het museum kan functioneren als ‘ruimte van transformatie en gemeenschap’. Kunst ervaren kan immers – zie Abramoviç  ̶  ‘transformatie teweegbrengen of zelfs heil ..., kan de manier veranderen waarop we naar dingen, de wereld of elkaar kijken’. ‘Dit is het najagen van het heilige: het gewone leven verbeteren met hints van het meer-dan-het-gewone. Door zijn sacraliserende potentieel te omarmen, kan het hedendaagse kunstmuseum een zeer waardevolle rol spelen door dit streven te faciliteren’.

Daarmee is de prijsvraag die ik gesteld had, overtuigend beantwoord voor de gefragmenteerde post-seculiere cultuur waarin wij leven.

 

Ten slotte

De inzending van Lieke Wijnia wordt daarom welverdiend bekroond met Teylers Gouden Erepenning. Teylers Godgeleerd Genootschap is zeer verguld is met het antwoord op zijn prijsvraag, en zet de laureate met ere in de rij met eerdere Gouden Penningwinnaars van het genootschap, zoals de theoloog J.I. Doedes en de literatoren Hiëronymus van Alphen en Rhijnvis Feith!



  Share on:
04 februari 2017 - :

De waarheid (s)preken te midden van oceanen van leugens en propaganda

De dominee en de koopman, die hebben ons kleine land groot gemaakt. En ontkerkelijking of niet, er worden in ons land, schat ik ruwweg, nog altijd zo’n 5000 tot 7000 preken per week gehouden. En de theologische wetenschap kent nog altijd het vak homiletiek, de preekkunde. Twee wetenschappers, zelf ook befaamde predikers in de protestantse kerk, Ciska Stark en Bert de Leede, schreven er een nieuw boek over: Ontvouwen. Protestantse prediking in de praktijk (Zoetermeer: Boekencentrum 2017). Bij de presentatie ervan, op 3 februari 2017 in Amsterdam, was ik uitgenodigd te spreken. Wat betekent preken eigenlijk in deze tumultueuze dagen waarin alle waarden waarop de vrije samenleving gebouwd is, onder druk staan? Dit blog is een bewerking van de lezing die ik hield. Een verhaal van binnenuit, vanuit het christelijk geloof, of, preciezer nog, vanuit de protestantse traditie. Van iemand die soms ook de kansel beklimt op een zondagmorgen en zich dan wanhopig afvraagt wat hij zeggen moet, maar die zich meestal ophoudt in de universiteit.

 

Chysostomos’ preek tot Eutropius

In het jaar 399 wordt Eutropius, na een snelle carrière aan het keizerlijke hof, consul van Constantinopel. Hij wordt beheerst door wreedheid en hebzucht en roept daarom niet alleen de haat van andere leden van de hofhouding, nee zelfs van de keizerin zelf, over zich af, maar ook de volkswoede. Ook met de aartsbisschop van de stad, Guldemond-Chrysostomos, raakt hij in conflict, en wel over het asielrecht van de kerk. Het asielrecht ondergraaft de tirannieke wil van de alleenheerser, en altijd en overal zal hij dat recht van steden, campussen of kerken op zijn beurt proberen te ondermijnen. Ik zeg het de Prediker na: Wanneer men van iets zegt: ‘Kijk, iets nieuws,’/ dan is het altijd iets dat er sinds langvervlogen tijden is geweest.[1] Tegen de volkswoede en de haat van de elite houdt geen leider het lang uit, en de ironie wil, dat Eutropius nog in het jaar van zijn aanstelling als consul, zèlf asiel moet zoeken in de kerk van Chrysostomos. De aartsbisschop, tegelijkertijd de befaamde liturg die de liturgie van de oosterse kerk tot op de dag van vandaag bepaalt, èn de prediker beroemd om zijn ongezouten kritiek op de autoriteiten, houdt dan een - wij zouden nu zeggen: theatrale - preek voor het toegestroomde gehoor, maar allereerst voor die ene onder hen - ‘zonder banden, om deze kolom als met nagels geklonken, terwijl hem de vrees als een keten klemt’[2] -, Eutropius zelf. De preek behoort onbetwist tot de canon van roemrijke redevoeringen. Met zijn bloemrijke eloquentie, in al even bloemrijk negentiende eeuws Nederlands vertaald door Willem Bilderdijk, verdedigt Chrysostomos Eutropius en roept hij zijn gehoor op tot humaan gedrag:

 

Mocht ik uwe harten vermurwen, uwen wrevel uitdrijven? en den gloed uwer onmenschelijkheid blusschen? Zijn gij tot medelijden bewogen? Mijn hart zegt mij, ja, en uw-aller gelaat bewijst het mij in uw stroomende tranen.[3]

 

Overigens spaart hij de benarde consul niet en laat hij niet na eerst Eutropius, met een herhaald beroep op de Prediker, nog eens fijntjes op zijn positie te wijzen:

 

Waar  zijn nu de schijnvrienden; waar de gasterijen en vreugdemalen? Of waar zijn de zwermen van banketteerders, met den (geheel den dag door) ingeschonken wijn, en al de verscheidenheid van de kunst der pasteibakkeren waar de smaak door gevleid en de gulzigheid aangezet wordt? (…) ’t Waren bloemen der Lente, en met het voorbijgaan der Lente verdorven zij, ’t Was een schaduw, die voorbij zweefde; een damp die verwaassemde; waterbellen die barsteden; spinrach, dat weggevaagd werd. En wij mogen er daarom de in den Geest gesprokene woorden op toepassen: IJdelheid der ijdelheden! alles is ijdelheid.[4]

 

In één majestueuze retorische beweging worden de rijkdom, hebzucht en gulzigheid van Eutropius weggezet als ijdelheid en wind, en wordt het volk opgeroepen tot menselijkheid en medelijden met de benarde en benauwde bestuurder. En zo wordt het evangelie in al zijn grandeur ontvouwd en doet Chrysostomos om zo te zeggen tweemaal een gooi naar de ziel, eenmaal naar die van Eutropius en eenmaal naar die van het volk. Overigens helpt dat Eutropius uiteindelijk niet: nog datzelfde jaar wordt hij geëxecuteerd. Maar wie zal zeggen wat het aan zijn ziel gedaan heeft?

 

De waarheid (s)preken

Chrysostomos is de laatste niet die voor de onmogelijke taak staat op het juiste moment het goede woord te spreken. Méér dan misschien wel ooit eerder in het leven van de meesten van ons, komt het ook in deze dagen aan op ware woorden. De preek is daarvoor een wellicht wat ouderwets, maar nog altijd ijzersterk medium, mits we hem niet reduceren tot vrome peptalk voor de eigen club. De preek is, zoals één van de belijdenisgeschriften van de Protestantse Kerk in Nederland, de Confessio Augustana, zegt een ‘publice docere’, een openbare les.[5]

Sterker dan ooit eerder ervaar ik in deze dagen dat dit het beslissende ogenblik is om in zeeën van leugens en propaganda, van verdeeldheid en haat, de waarheid te spreken. En krachtiger dan ooit eerder zie ik in dit uur in de wereldgeschiedenis de Pilatusvraag op mij afkomen, Wat is waarheid?[6] Lange tijd verkeerde de academicus in de positie die vraag rustig te overwegen en doordenken, en daar moet ook ruimte voor blijven. Maar in een tijd waarin alle waarden waar de academie en de westerse vrije samenleving voor staan, worden bedreigd en aangevallen, kunnen we als academie op geen enkele manier een neutrale positie innemen. En zo ligt de vraag naar de waarheid weer levensgroot op tafel. De academie dient op te komen voor het ware en goede en schone. Er is voor gepleit dat ‘de theologie haar claim op de waarheid moet opgeven’.[7] Hoewel misschien niet zo bedoeld, zou een gehoor geven aan deze oproep juist in een tijd waarin de religie zozeer in dienst wordt genomen van de meest abjecte posities, een verschrikkelijke bijdrage leveren aan een steeds dieper afglijden van de beschaving. Om Eddie Glaude, de president van the American Academy of Religion te citeren: ‘The time for dancing is over. We need to have uncomfortable discussions’.[8] Het komt nu aan op ware woorden. In alle kortheid en met voorbijgaan aan alle filosofische discussies, zou ik nu willen zeggen dat waarheid in de context van het christelijk geloof betekent: alles wat in de persoon van Jezus Christus is belichaamd aan praktijken, kennis en waarden. In al zijn eenvoud formuleerde Paus Fanciscus het vorig jaar tegen een groep Duitse pelgrims  zo: 'Je kunt het christendom niet verdedigen door tegen vluchtelingen en andere religies te zijn’.[9] Dat zijn in deze, onze dagen, in deze, onze wereld, ware woorden.

Het is een illusie dat alle grote vragen van onze tijd in een paar maanden zijn op te lossen en te beantwoorden en juist aan de academie weten we dat.  Maar in deze bewogen tijden moet de academicus de vrouw en de man in de praktijk niet loslaten. De prediker staat midden in het gekrakeel en kan zich de luxe van een uitgestelde beslissing omtrent de waarheid niet veroorloven, hij/zij moet morgen of vandaag nog het woord spreken waar het op aan komt. De - wat mijn vroeg gestorven collega Gerrit de Kruijf heeft genoemd - 'slag om de ziel' duldt geen uitstel. Als academische theologen staan we naast de predikanten, en als we soms afstand nemen van hun alledaagse praktijk, dan is dat uiteindelijk om deze wereld en onze samenleving te dienen met fundamentele antwoorden op haar vragen en op de gevaren die haar bedreigen. Leugens en haat, verdeeldheid en oorlogsretoriek, vragen om een antwoord van de theologie en de geesteswetenschappen. Tegen die fenomenen staan de sciences immers met een mond vol tanden. Het voorstel de bekostiging van de kunsten en van het geesteswetenschappelijk onderzoek te beëindigen, vorige week gedaan in de Verenigde Staten, is niet willekeurig; dat is een trefzekere slag op de bek die woorden spreekt die ter zake zijn.

 

Inwijding en toewijding vanuit liturgisch perspectief

Mijn gedachten die ik zojuist ontvouwde, komen voort uit debatten die momenteel in het internationale academische discours worden gevoerd, maar vooral ook uit mijn eigen bezorgdheid. Ik kan in deze dagen nauwelijks loskomen van de nieuwsberichten die ons op allerhande manieren permanent bereiken en met de dag verontrustender worden. Het komt ook voort uit mijn eigen denken over de rol van de intellectueel, meer in het bijzonder van de theoloog en heel specifiek van de predikant in deze tijd. Het voelt als een grote verantwoordelijkheid die wij hebben jegens de samenleving. En het voelt als een loodzware last om ware woorden te moeten spreken in de zin zoals ik zojuist aangaf. Maar nu wil ik hier een zekere verlichting aanbrengen door terug te komen op een van mijn geliefde en constante thema’s.

Het thema is dit: de preek is geen zelfstandig fenomeen, maar een onderdeel, een sequens, van de liturgie, van de eredienst en haar eeuwenoude tradities. De prediking drijft de zaak om zo te zeggen op de spits, zij brengt déze gemeente, déze hoorders bij het woord, dat is bij Christus, en, omgekeerd, leidt zij Christus naar déze hoorders, naar déze gemeente. Maar zij doet dat als één der sequenties van de liturgie. Hoe de eredienst ook begint, dáár wordt de relatie tussen Christus en de gemeente geconstitueerd. In bemoediging en drempelgebed wordt de gemeente opengesteld voor de ontmoeting met de drie-ene Naam, in de introïtuspsalm wordt zij binnen gevoerd in het landschap van de schriften, om in haar huldelied en lofzang van kyrie en groot-gloria de bij haar intocht houdende Christus toe te zingen, terwijl het collectagebed alle gebeden samenvat en de gemeente rechtstreeks voor de Eeuwige stelt. Of, in votum en groet wordt de gemeente toegewijd aan de Eeuwige, om in de lezing van de Decaloog direct geconfronteerd te worden met de wijze waarop God zijn rijk gedacht heeft en zingt zij haar lied van dankbaarheid. Of, in praise and worship prijst de gemeente haar Koning en Verzoener, en worden haar harten gereed gemaakt om in aanbidding voor de Eeuwige te staan. Het komt niet op de predikant alleen aan. De aloude en geijkte orde van dienst wijdt de gemeente al in de symbolische orde van het heil, van de schriften en het geloof in, en wijdt haar al toe aan Christus. De last ligt niet geheel bij de prediker. Zij/hij bouwt voort op een gemeente die reeds als gemeente ìs geconstitueerd, die reeds in de dynamiek van het woord is geïncorporeerd, die al in Christus is en in wie Christus al woont, spreekt en regeert. De prediker spreekt zijn/haar ware woorden binnen de levende en intieme relatie van de gemeente met hem die van zichzelf zegt dat hij is de weg, de waarheid en het leven.[10]

 

Tenslotte

Twee theologen, Ciska Stark en Bert de Leede, publiceren in deze dagen een boek over preken. Het komt in een uur waarin het op allerhande manieren weer aankomt op ware woorden, op das Wort zur Stunde, op een inwijding in het evangelie van de Heer Jezus Christus, op toewijding aan zijn koninkrijk van gerechtigheid en vrede, op een gooi naar de ziel die dagelijks wordt verleid door leugenachtige leiders en propagandisten die haat en verdeeldheid zaaien. Op de advent van de Geest die alle demonie verjaagt in niet mis te verstane taal: Zwijg en ga uit![11] Donder op!

Om de auteurs zelf tenslotte te citeren: ‘Tegenwoordigheid van de Geest. Daar doen we het voor. Daar komen mensen voor. In dat geloof (s)preken wij. Soms: op hoop tegen hoop.’[12] Daarop zeg ik ja en amen.



[1] Pred.1:10 (NBV)

[2] J.P. Guépin (red.), Schokkende redevoeringen, Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar 1990, 416.

[3] Guépin, Schokkende redevoeringen, 416.

[4] Guépin, Schokkende redevoeringen, 411.

[5] CA XIV.

[6] Joh.18,38.

[7] Ruard Ganzevoort, Spelen met heilig vuur. Waarom de theolgie haar claim op de waarheid moet opgeven, z.p.: Ten Have 2013.

[8] Eddie Glaude, uitspraak gedaan op 20 november 2016 tijdens ‘Special Topic Forum: Critical thinking, inclusion, and moral responsibility in the wake of the 2016 election’, Annual Meetings 2016 van SBL en AAR, 17 – 22 november 2016, San Antonio, TX, USA.

[9] http://www.catholicherald.co.uk/news/2016/10/13/pope-francis-you-cant-defend-christianity-by-being-against-refugees-and-other-religions/ Catholic News Service, geraadpleegd 02-02-2017, mijn vertaling – MB.

[10] Joh. 14,6.

[11] Lukas 4,31-37.

[12] De Leede & Stark, Ontvouwen, 10.

 



  Share on:
29 november 2016 - :

Terug uit de USA: Trump en de theologie -- Een beklemmend congres van The American Academy of Religion, San Antonio, TX, november 2016

 

 

De Hispanic taxichauffeur die me naar mijn hotel brengt heeft niet gestemd. Dat doet hij nooit. Maar Trump kunnen we vertrouwen, verzekert hij me. Die man heeft ongelofelijk veel voor elkaar gekregen en hij is omringd door goede adviseurs. Politiek is een vak, you know, en ons leven gaat gewoon door. Aan de binnenspiegel hangt een plastic rozenkrans, gekregen van een klant en gezegend door de paus. Het mooiste geschenk dat hij ooit gekregen heeft.

 

San Antonio en de religies van Texas

De jaarlijkse congressen van de American Academy of Religion, altijd met zo’n tienduizend deelnemers, zijn goede graadmeters om te bepalen wat er speelt in religie, religiewetenschap en theologie. Dit jaar kwamen theologen en religiewetenschappers bijeen in San Antonio, Texas, de zevende stad van de Verenigde Staten met een bevolking van ongeveer 1.7 miljoen mensen. Op de eerste dag moest ik het beeld dat ik bij Texas had, onmiddellijk bijstellen. Wie Texas zegt denkt white evangelicals, the West, eindeloze landschappen, cowboys en rodeo’s, George W. en wapens. Voorafgaand aan het congres kregen de deelnemers een mail dat binnen het Convention Center en in de congreshotels wapens niet openlijk mochten worden gedragen. Gedurende het congres werd niet ver van het congrescentrum vandaan een politieman, terwijl hij in zijn auto zat, zonder duidelijke aanleiding dood geschoten.

 

Wel, dat is het beeld, en dat beeld wordt gekoesterd en permanent bevestigd door de dominante white males. Maar het beeld klopt niet. In een sessie Religions of Texas leerde ik dat de staat de grootste populatie moslims van de VS heeft en de op een na grootste groep Sikhs. Bovenal vormen de Hispanics een belangrijke bevolkingsgroep. Niet zo vreemd als we bedenken - maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik ook dàt niet wist - dat de staat aanvankelijk Mexicaans gebied was, in de jaren dertig en veertig van de negentiende eeuw na een bloedige strijd met Mexicaanse troepen een zelfstandige republiek werd, en zich uiteindelijk aan het begin van de jaren veertig van die eeuw aansloot bij de United States of America. In die eerste helft van de negentiende eeuw kwamen blanke Amerikanen uit het oosten, hongerig naar nieuw land, dat zij beschouwden als ‘leeg land’.

 

Door het centrum van San Antonio lopen twee rivieren, een meter of tien onder het straatniveau. Langs die riviertjes, onder talloze bruggen door, is een hele onderstad gecreëerd voor wandelaars. Het is een intiem groen paradijs van koelte en schaduw waar het zonlicht doorheen speelt, en waar talloze restaurants, bars en terrasjes met kleurige parasols een levendige atmosfeer op menselijke maat scheppen. San Antonio is een stad waar mensen elkaar groeten op straat.

 

Diversiteit?

Het San Antonio Museum of Art laat weliswaar een en ander zien van de natives - het prachtige Blackfoot War Shirt uit 1880-1890 en een remake van een tent - maar schilderijen van het leven van de oorspronkelijke bevolking lijken toch vooral door een blanke hand te zijn geschilderd, en de fraaiste stukken van het museum zijn ongetwijfeld de zeer uitgewerkte en rijk versierde rodeozadels.  

Maar wie door de stad loopt merkt onmiddellijk dat diversiteit alom aanwezig is. De kathedraal, gewijd aan San Antonio (die van Padua, patroonheilige van de stad), is Spaans van karakter en de liturgie wordt er in het Spaans gevierd. Een reusachtig gouden altaarretabel siert de achterwand van de apsis. Voor het retabel zit een hele familie geknield op de grond en herhaalt eindeloos het Ave Maria. De talloze beelden hebben kale plekken van de vrouwenhanden die ze permanent aanraken. De Jezus van een dramatische en kitcherige piëta heeft afgesleten knieën en voeten. De Maria op een aan haar gewijd altaar heeft een schitterend geborduurde, wijd uitstaande jurk aan. Bij de ingang staat een meer dan levensgroot beeld van de heilige Johannes Paulus de tweede.

 

De academie dient op te komen voor het ware en goede

Diversiteit is al langer een dominant thema in theologie en religiewetenschap. Het is vanzelfsprekend dat het thema in deze stad en staat sterk naar voren kwam. ‘How do we negotiate diversity?’ en ‘What does the public space look like in terms of diversity and pluralism?’ waren dominante vragen op dit congres. Vragen die gesteld werden vanuit ontsteltenis, angst en verbijstering over de verkiezing van Trump twee weken eerder. Ik heb geen republikein ontmoet op het congres (of het moest iemand zijn die daar niet voor wilde uitkomen), en in een publieke discussie kon een van de leden van de American Academy of Religion dan ook vaststellen dat de organisatie misschien nog niet de helft van de Amerikaanse religieuze kaart representeert. Grofweg 80% van de white evangelicals stemde immers op Trump, 35% van de protestanten, 45% van de rooms-katholieken, 24% van de joden en 61% van de mormonen.

 

Hoewel de algemene overtuiging onder de AAR-leden is dat de onsamenhangende ideeën van Trump grosso modo niet met welke religie dan ook overeenkomen, lijken het toch vooral de academische waarden en Verlichtingsidealen te zijn die een diepe kloof tussen academici en Republikeinen openbaren. Om maar een voor de hand liggend voorbeeld te noemen, seksueel gedrag, vooral jegens vrouwen, dat op campussen niet wordt getolereerd, wordt op hetzelfde moment door de hoogste leider van het land gestimuleerd. Zoals iemand zei, alle waarden waar de academie voor staat, zijn in de verkiezingsstrijd op grove wijze aangevallen en de uitdaging waar we voor staan, is om leermomenten te scheppen uit zaken waartegenover je als academie op geen enkele manier een neutrale positie in kunt nemen. En zo lag de vraag naar de waarheid weer prominent op tafel. De academie dient op te komen voor het ware en goede. Dat zal lastig genoeg zijn. Zoals president-elect van de AAR, Eddie Glaude, zei: ‘The time for dancing is over. We need to have uncomfortable discussions’. Denk niet dat het wel mee zal vallen met die Trump: zijn campagne was op geweld gebaseerd, zoals nog weer iemand anders zei.

 

De universiteit en de presidentsverkiezingen

De presidente van de AAR, Serene Jones, wijdde haar presidential address aan de verkiezingen in niet mis te verstane woorden. Twee drukbezochte special topic forums werden ingelast in het congres over critical thinking, inclusion and moral responsibility in the wake of the 2016 election. De stemming was ingehouden emotioneel.

Ik zat aan een discussietafel met een universitair docente, een moslima zonder Amerikaans citizenship die uitdrukking gaf aan haar angst, met een vrouw wier ouders destijds uit de Sovjet Unie naar de Verenigde Staten waren gevlucht, met een joodse man wiens ouders in 1936 aan het naziregiem in  Duitsland waren ontkomen, met een pastor wiens familie goeddeels op Trump had gestemd, met een kleinkind van nazikamp-overlevenden en met de AAR-presidente. Ieder voelde eigen angsten en verantwoordelijkheden.

 

De nazaten van vluchtelingen en de non-citizens vreesden registratie op grond van geloof of herkomst en deportatie, woorden die in de verkiezingsstrijd zijn gebruikt. Taal uit een periode van de geschiedenis die tot in het derde en vierde geslacht verschrikkelijke demonieën oproept. Het besef dat taal een werkelijkheid schept, dwingt tot tegenspraak. Genocide begint met woorden, om een van de discussianten te citeren, en we moeten niet normaliseren wat niet genormaliseerd mag worden. Wie Trumps uitspraken gedeeltelijk goedpraat staat al aan de verkeerde kant. Het is in dat verband werkelijk onbestaanbaar dat een Nederlandse predikant, Willem Maarten Dekker, in een column en blog een pleidooi voor bloed en bodem voert, wat hij er ook mee bedoelt. De pastor vaagt zich af hoe hij met zijn familie moet omgaan. De presidente van Union Theological Seminary vraagt zich af wat er gebeurt met de federale geldstromen als onderwijsinstellingen weigeren bepaalde eisen van de regering uit te voeren - bijvoorbeeld de registratie van moslims. Een zelfde vraag komt op bij universiteiten die overwegen hun campus uit te roepen tot sanctuary, een mogelijkheid die de Amerikaanse wet biedt en het de politie onmogelijk maakt zomaar de campus te betreden. De vraag geldt eens te pregnanter de universiteiten en seminaries die niet tot de top behoren en dus minder vermogend, met andere woorden meer afhankelijk van overheidsbekostiging zijn. Nagenoeg alle aanwezigen vroegen zich af, niet alleen wat onze taak als scholars of religion is, maar vooral ook hoe in de collegezalen om te gaan met de situatie, hoe studenten te faciliteren die door angst worden geblokkeerd, hoe ook om te gaan met Trump-stemmers. Wat die laatste groep betreft, het gaat niet aan ‘to objectify Trump supporters as sexists, racists, etc.’, en hun ‘economic cries’ moeten wel worden gehoord.

 

Nederlandse universiteiten en de verkiezingen in Amerika

De congresssen van de AAR zetten mij altijd aan het denken. Dit jaar heeft de bijeenkomst mij versterkt in de overtuiging dat we ook in ons eigen land als academische theologen en religiewetenschappers vierkant voor de Verlichtingsidealen van de academie moeten staan. Trumps ideeën zijn niet ver weg in ons eigen land. Als de pas opgerichte Netherlands Academy of Religion een belangrijke taak heeft, dan zeker ook die. Desnoods tegen onze eigen religies en kerken in. De opportunistische omhelzing van ‘de ethische agenda’ van Trump door het Reformatorisch Dagblad dient gedeconstrueerd en weersproken te worden. We kunnen niet neutraal zijn. Bovenal moeten we duidelijk maken dat conservatieve agenda’s die een religieuze inspiratie claimen, veeleer in een premodern gedachtengoed wortelen dat met religie niets te maken heeft.

Het behoort tot de taken van de academie ‘to build moral capacity’ en om een beweging te stichten die studenten motiveert om de wereld te veranderen. Bijzonder inspirerend was de toespraak van Julio Castro, de minister van Housing and Urban Development in de regering Obama, voormalig burgemeester van San Antonio (op de foto). Kleinkind van Mexicaanse immigranten en kleinzoon van een alleenstaande grootmoeder die dienstmeid was, is hij nu een nationale leider van de Hispanics. Zijn oproep luidde: ‘This is a time to speak’, sta bij wie hulp nodig hebben en geen stem hebben, maak behoeften duidelijk, ook na 21 januari. En hij zei erbij: ‘Religion is never about the status quo, it is about getting better’.



  Share on:
22 augustus 2016 - :

Een kolossaal boek: De Oude Kerk te Amsterdam

 

Sommige boeken wachten er al jaren op gelezen te worden. Ze geven niet op je verlangend aan te staren vanaf de plank waarop ze zijn neergezet, smekend om geopend en geconsumeerd te worden. In de vakantie ben ik gezwicht voor de verlangende blik van een van die boeken, - een boek zo kolossaal dat het zichzelf steeds ook bijna verontschuldigde vanaf de plank: ik weet wel dat je geen tijd voor me hebt, dat ik teveel concentratie van je vraag bij je dagelijkse drukdoenerij.

In 2004 verscheen in de reeks Cultuurhistorische Studies van de (voormalige) Rijksdienst voor de Monumentenzorg en uitgeverij Waanders De Oude Kerk te Amsterdam: Bouwgeschiedenis en restauratie, geschreven door de bouwhistoricus H. Janse. Het is een boek over de kerk die mij in Nederland het dichtst aan het hart ligt en waar ik al decennia lang graag kom om de immense en toch intieme ruimte met haar gedempte lichtval, om de geschiedenis die het gebouw met zich meedraagt, om de fameuze muziektraditie van Sweelinck tot Vogel, om de erediensten die zich op een moderne manier voegen in de gang van de liturgie der eeuwen, en tegenwoordig ook om de spraakmakende moderne kunstprojecten die directeur Jacqueline Grandjean binnen de eerbiedwaardige oude ruimte realiseert.

Janse was tussen 1948 en 1958 betrokken bij de restauratie van de Oude Kerk en heeft ook daarna als medewerker bij de Rijksdienst de restauratie en consolidatie op de voet gevolgd. In zijn boek documenteert en ordent hij alle gegevens die tijdens de restauratie en consolidatie van de kerk tussen 1950 en 2000 aan het licht zijn gekomen en reconstrueert hij en détail de bouwgeschiedenis van de kerk. Het boek toont zich daarmee een waardige opvolger van Arnoldus Noach, De Oude Kerk te Amsterdam: biografie van een gebouw, uit 1939, en corrigeert dat boek ook op veel punten. Onderzoek van ‘mejuffrouw’ Bijtelaar - zij woonde jarenlang tegen de kerk aan en haar beeltenis is bij de restauratie gesneden in een van de misericordes van de koorbanken - naar de graven in de kerk, en dendrologisch onderzoek dat het mogelijk maakte om het precieze kapjaar te determineren van de bomen die het hout voor de kappen leverden, waren de onmisbare voorwaarden voor Janses meesterwerk. In zijn synthese ziet Janse geen beeldhouwersmerk over het hoofd, ontsnapt hem geen tracering die tevoorschijn kwam, gaat hij aan geen telmerk in de houten kappen voorbij, ontsnapt hem geen enkel tijdens de restauratie blootgelegd fundament, ontglipt geen beeldje of schildering aan zijn aandacht en ontgaat hem geen grafsteen. In bijna 500 rijk geïllustreerde pagina’s verrijst zo de Oude Kerk, steen voor steen, gewelf voor gewelf, raam na raam en kapel voor kapel, van pseudobasiliek met een klein rechtgesloten koor (in ongeveer 1300), via een driebeukige hallenkerk (1390), later met koor en kooromgang (1445-1455), waaraan (vanaf 1460) achtereenvolgens portalen en kapellen worden aangebouwd, tot in 1552 - 26 jaar voordat ook Amsterdam overging tot de Reformatie - toen in een contrareformatorisch offensief, op de grens van middeleeuwen en Renaissance, de Mariakapel als laatste aan de kerk werd toegevoegd. In 1510 was het middenschip verhoogd, en nog in 1554 en 1559 kregen ook de viering en de middenbeuk van het koor een lichtlantaarn. In de achttiende eeuw wordt de hele toren, die ernstig was verzakt en verdraaid, ommanteld en krijgt zij haar huidige aanzien. Christian Vater bouwt in 1724 het grote orgel, Johann Caspar Müller herstelt het veertien jaar later na de grote werkzaamheden aan de toren.

Met de reformatie begint een periode die het gebouw in feite minacht. Herstelwerkzaamheden zijn niet meer dan - vooral: goedkoop - flanswerk, natuursteen wordt vervangen door baksteen, schilderingen worden weg geplamuurd, fouten die in de vijftiende eeuw bij de fundering van met name het noordelijke deel van de kerk zijn gemaakt en die door ernstige verzakkingen aan het licht komen, worden niet grondig genoeg aangepakt. Het gebouw verkeert in de jaren dertig van de vorige eeuw in een deplorabele staat, de foto’s die ervan in het boek zijn opgenomen geven een schrikbarend beeld. Gelukkig neemt de geschiedenis andermaal een keer en komt het tot een algehele restauratie en consolidatie van Amsterdams oudste kerk. De eigendom van het gebouw werd overgedragen aan een stichting, zodat de Hervormde Gemeente de last van dit enorme project niet hoefde te dragen.

Het boek is een bouwhistorisch document en vraagt inderdaad tijd en concentratie, in ieder geval van de dilettant en niet-vakman die ik ben. Het eist enig doorzettingsvermogen om door pagina’s vol toten, wimbergen, versnijdingslijsten, kespen, koppenlagen, spantbenen, hogels, frijnen, astragalen, fioelen en schieters heen te lezen. Maar juist door die aandacht voor ieder detail komt een heel precies beeld naar voren van de geschiedenis van het gebouw.

Als het ware in de marges van het boek vangt de lezer glimpen op van de geschiedenis van de stad Amsterdam en van Holland en de Nederlanden in de context van Europa. En precies dat viel mij op bij mijn lectuur van Janses kolossale boek in deze zomervakantie: de Oude Kerk presenteert en representeert de geschiedenis van het oude Europa, of, preciezer, van Amsterdam en de Nederlanden in de context van Europa, en van de religiegeschiedenis van Amsterdam in de context van die van Europa. De wapenschilden van Maximiliaan van Oostenrijk en Philips de Schone, van het oude en het nieuwe Bourgondië, en van de stad Hamburg zijn nog in de kerk zichtbaar. De Hamburger Kapel werd gebouwd met geld van het stadsbestuur van Hamburg en ter wille van de Lutherse (!) Hamburgse bierhandelaren, die zich ook zes graven in de kapel verwierven. Het zogenaamde Philipsvenster (1656) verbeeldt de Vrede van Munster die Holland bevrijdt van de tachtigjarige oorlog en die aan de basis van het moderne Europa ligt. De steen waaruit de kerk gebouwd is kwam uit de Zuidelijke Nederlanden en Duitsland. Verschillende zeehelden die sneuvelden in de zeeslag bij Gibraltar (Jacob van Heemskerck, de overwinteraar van Nova Zembla, 1607), in de strijd tegen de Duinkerkse Kapers (Cornelis Jansz de Haan, 1633), in de Engelse Oorlogen (vice- admiraal Abraham van der Hulst, 1666, en vice-admiraal Isaac Sweers, 1673) of in een gevecht tegen Algerijnse kapers bij Kaap Tres Forkas (schout bij nacht en vice-admiraal Willem van der Zaan, 1669) kregen hun praalgraven in de Oude Kerk. Het koorschot prijst God voor de vernietiging, in 1588, van de Spaanse Armada en ‘’T heijlloos Verbondt geshinn’t de Waerheijdt uijt te roijen’. Willem van Oranje droeg financieel bij aan de bouw van het koor, evenals de roemruchte Philips II (de beruchte hertog van Alva woonde lange tijd om de hoek van de kerk, in de Warmoesstraat – hij moet de kerk hebben bezocht). Laten we niet denken dat Europa een recente uitvinding is.

Janse concentreert zich op de bouwgeschiedenis van de kerk, en dat maakt zijn boek onovertroffen. Hij trekt niet de lijnen naar de bredere geschiedenis. Noach deed dat in 1939 wel en betitelde zijn boek als een biografie van het gebouw, maar zijn bouwhistorische conclusies en historische opzet behoeven bijna tachtig jaar na verschijning van het boek herziening.

Lezend in Janse begon ik te verlangen naar een nieuwe, moderne biografie van de Oude Kerk. Op grond van alle informatie over de kerk die door de restauratie en consolidatie van het kerkgebouw beschikbaar is gekomen, zou een nieuw levensverhaal van de Oude Kerk geschreven moeten worden. Een verhaal over hoe de kerk groeide, verviel en weer opbloeide, over wie haar liefhadden en om haar streden, over wie haar geldelijk overeind hielpen, over het liturgisch-rituele bedrijf binnen haar muren, over de banden met de gilden en kooplieden die Amsterdam rijk maakten en de kapellen van de kerk financierden, over de muziek en de muzikanten die haar orgels bespeelden, over wie eeuwige rust vonden in haar schoot - Vondel moest er in 1635 zijn vrouw Maaiken de Wolf begraven (en schreef daar een schitterend gedicht over), Rembrandt zeven jaar later zijn Saskia (haar naam werd eerst in 1953 in een zerk in de Weitkoperskapel gebeiteld). Ik zie een goed geschreven boek voor me dat het leven van de grijze oude dame belicht, vanaf haar geboorte in de late middeleeuwen via haar verval in de moderne tijd en tot aan haar opbloei op hoge leeftijd in onze laatmoderne tijden. Een boek over haar sociale netwerken en hoe zij stond en wankelde in de bewogen - ook: religieuze - geschiedenis van Europa en de Nederlanden, maar uiteindelijk trots en fier overeind bleef, al is het dan soms wat krakkemikkig. De Stichting de Oude Kerk zou althans mij met een dergelijke opdracht aan een schrijver enorm plezieren. Een boek in een stijl zoals Annejet van der Zijl, Geert Mak of Fik Meijer die beheersen. En ik zou het ook zelf heel graag schrijven.



  Share on:
31 maart 2016 - :

Dada-taal, Wilders en Religie

Lezing gehouden in Tilburg op 31 maart 2016 bij het verschijnen van Frank Bosman en Theo Salemink, Hugo Ball.

 

1.

 

GRONINGEN BERLIJN MOSKOU PARIJS 1923

Aanvang van het violette jaargetijde

Lezer

Aangezien,

Overtuigd,

Aangezien wij dus overtuigd zijn dat het nog niet

TE LAAT is, zullen wij spreken.

Het wordt tijd, waarachtig.

,,      ,,     meer dan tijd dat er iets gedaan wordt.

Er MOET getuigd en gesproken worden. Wij

betreuren alleen dat WIJ dit moeten doen waar

zoovele anderen het beter kunnen.

KUNST is overal. Zij wordt den mensch als het

ware door de vogels op de jas geworpen. In elke

zuigeling met zwakke ingewanden wordt de latente

kiem gelegd voor een kunstenaar bij de gratie.

Het kunst-emplooi gaat buiten alle perken en ver-

stikt het gevoel der natie.

In vertwijfeling gaat gij neder, in wanhoop barst

gij uit. Wat baat het U? Het handenwringen

verlost U niet. Een orkaan kan de lucht zuiveren.

Hij kome, dat hij kome!

Ons eerste geschrift verschijnt binnenkort. Wij

noodigen U dringend uit medelezer te worden.

Leesgeld vragen wij niet voordat de zon verrezen

is. Wij rekenen op Uwe DADEN in het witte

jaargetijde met de zwarte schaduwen.

Naar de DAGERAAD, als gij pionier wilt zijn.

Getuig.

Spreek.

Wacht niet tot na het ontbijt, uit vrees dat Uw

opgewarmde koffie koud zal worden.

Travailleur en Cie. (Corr.-adres Lage der A 13).

 

 

Aldus de Groninger drukker en schrijver H.N. Werkman, één van mijn favoriete Nederlandse kunstenaars, die door K. Schippers is  geïdentificeerd als Groningse Dadaïst (Schippers 2000: 131-143). Een verwantschap die juist tot uitdrukking kwam in de jaren 1923-1926 toen hij negen nummers van The Next Call drukte en uitgaf. 1923, – dat is het jaar van de Dadatournee van Theo van Doesburg, Kurt Schwitters, Nelly van Moorsel en Vilmos Huszár die door (hoofdzakelijk west-)Nederland, trok. Of er een direct verband bestaat tussen de tournee en Werkmans The Next Call weet ik niet. Wel wijzen zijn jongste biografen op invloed van werk van Vilmos Huszár, Theo van Doesburg en Bart van der Leck dat te zien was op een tentoonstelling in 1922 bij het Kunstlievend Genootschap Pictura in Groningen, van ‘het tijdschrift De Stijl’ en ook van ‘buitenlandse avant-garde tijdschriften waarin voorbeelden van dada en constructivisme te lezen en te zien' waren (De Vries, Van der Spek, Sjens & Jansen 2015: 54). Het is onmiskenbaar aan Werkman te danken dat  Groningen een plek in de rij van Dada-steden kreeg. Alleen al daarom is Werkman met recht en reden postuum erkend als een van de allergrootste Nederlandse kunstenaars van het interbellum, een positie die hij overigens vooral te danken heeft aan zijn serie druksels van de Chassidische Legenden die hij in de Tweede Wereldoorlog heeft geproduceerd. Rond deze inmiddels wereldberoemde serie is, mede door Werkman-biografie van Hans van Straten, de mythe ontstaan dat Werkmans arrestatie en executie door de Duitsers een rechtstreeks gevolg waren van zijn serie Chassidische Legenden. Dit is minstens omstreden en vermoedelijk niet juist.

Laten we terugkeren naar Werkman de Dadaïst.

 

In 1923 kondigt Werkman met de tekst die ik zojuist voorlas, een nieuw te verschijnen tijdschrift aan. Met niet geringe ironie − kenmerkend voor het Dadaïsme − zet Werkman de stad Groningen in een rij met Berlijn, Moskou en Parijs. Zoals gezegd, hoewel hier ironisch bedoeld, was het uiteindelijk wel de bescheiden werkelijkheid, juist dóór Werkman. De orkaan van de kunst moet de lucht zuiveren, roept de tekst de lezer toe, maar dan wel een kunst die met alle conventies breekt; de kunstenaar die in ieder mens huist moet losbreken uit de benauwende omhulsels waarin hij gevangen wordt gehouden en spreken. Nu ja, in ieder mens: ‘in elke zuigeling met zwakke ingewanden’. Ik lees dat als: deze kunst is de stem van wat ten opzichte van de dominante stemmen zwak is, de tegenstem, de stem van de gestoorden,  geesteszieken en verliefden, van de psychiatrische patiënt en het kind, de nar en de clown. Zij moet getuigen, spreken. Door dat getuigenis ‘in het witte jaargetijde met de zwarte schaduwen’ breekt ‘een violet jaargetijde’ aan, de ‘dageraad’.

Dat zal niet door iedereen als prettig worden ervaren, op zijn zachtst gezegd. Want deze kunst 'wordt den mensch als het ware door de vogels op de jas geworpen' - een vette fluim op de mooie kleren waarin de cultuur zich hult, een kwak vogelstront op je nette jas. Tel daarbij op de 'zwakke ingewanden' van de zuigeling in wie de kunstenaar ontkiemt, - dan kun je wel raden dat er een behoorlijke hoeveelheid kots en bagger over alle keurige mevrouwen en meneren zal worden uitgestort.

Met een bijna bijbels profetisme waarschuwt de auteur dat het nog niet te laat is en wordt de orkaan geëvoceerd: ‘dat hij kome, dat hij kome!’ De stem van de dwaas ontwortelt alles wat vaststaat.

De burgerlijkheid heeft natuurlijk altijd argumenten om de uitbraak uit de dodelijke en verwoestende kneuterigheid uit te stellen − ‘Wacht niet tot na het ontbijt, uit vrees dat Uw opgewarmde koffie koud zal worden’. De ironie druipt ervan af, en ook de kleinburgerlijkheid, − let op de koffie. Niet: ‘dat uw warme koffie koud zal worden’, maar ‘uw òpgewarmde koffie’. Truttiger en zuiniger kan het niet, de koffie van gisteravond opgewarmd aan het ontbijt.

De kunstenaar die de oude wereld op haar grondvesten doet trillen, die wat vaststaat uitrukt en omver werpt, de kunstenaar als de pionier van een nieuwe wereld die de oude grond klaar maakt voor een nieuwe bebouwing, de kunst als heilsproject. En wat is het heil dat de kunstenaar constitueert? Ik citeer uit het tweede nummer van The Next Call: ‘Een ril doorklieft/ het lijf dat vreest/ de vrijheid van de geest.’ Daar valt het grote woord: vrijheid. Daarmee is de status quo gekwalificeerd als onvrijheid, slavernij. ‘Een ril doorklieft/ het lijf dat vreest/ de vrijheid van de geest.’

Onwillekeurig moest ik denken aan Theo van Doesburgs – met wie Werkman in contact stond – gedicht ‘De Priester-Kunstenaar’ (Van den Berg & Buelens 2014: 21v.):

 

(…)

De mensch komt in ’t licht!

De mensch wordt nu geboren!

De Kunst wordt religie.

De Kunstenaar, de priester, die

den wereldwil uitbeeldt, in

vormen,

kleuren,

woorden,

klanken,

de Priester, aan wien

Wij het nieuwe leven danken.

 

Maar let wel, voordat we denken toch weer houvast te hebben gevonden:

 

Dada is geen kunstbeweging.

Dada is eene directe levensbeweging die zich keert tegen alles, wat wij ons als levensbelang voorstellen.

Dada stelt überhaupt geen vragen.

Dada is de ontkenning van den algemeen, gangbaren levenszin.

Dada is de sterkste negatie van alle cultureele waardebepalingen.

(…)

Dada ziet in alle imaginaties die ons van de werkelijkheid hebben afgeleid - we mogen ze Tao, Om, Bramah, Jahweh, God, getal, geest, enz. noemen, slechts verschillende etiketten voor een en hetzelfde artikel dat, “uit een niets zich ontwikkelend” met veel tam tam tam en boem boem boem den menschen wordt opgedrongen.

(…)

Voor den dadaïst berust de bestaansmogelijkheid van dezen ballast slechts op twee dingen: reclame en suggestie.

 

Aldus Theo van Doesburg in zijn  manifest Wat is dada? (Van Doesburg 1923: 4v.)

 

 

2.

 

De breed aangehangen opvatting dat moderne kunst en, iets smaller, het modernisme van God los zijn of waren, kan zo langzamerhand wel als volledig achterhaald worden beschouwd. Om, enkel teneinde de herinnering op te frissen en de stand van de wetenschap te evoceren, een paar min of meer willekeurige namen te noemen: Schönberg keerde terug naar de synagoge, Strawinsky naar de Orthodoxe moederkerk, Andy Warhol bleek zijn leven lang een trouw bezoeker van de mis te zijn geweest, en - het kan vandaag niemand ontgaan - de dadaïsten Hugo Ball en Emmy Hennings keerden terug in de schoot van de Romana.

Joost de Wal toonde in zijn Kunst zonder kerk al aan dat moderne kunst druipt van religiositeit, zij het allerminst een exclusief christelijke, en als ze al christelijk is dan allerminst een kerkelijk-orthodoxe (De Wal 2002). Het hoogleraarscollectief Figura Divina (www.figuradivina.org) wijst gedurig op de nauwe samenhang tussen religie en kunst. Wessel Stoker (Stoker 2012) demonstreerde dat en hoe moderne beeldende kunst spiritueel is, Johan Goud en Jaap Goedegebuure wezen in verschillende publicaties op de presentie van God, bijbel en religie in de moderne literatuur. Gerda van de Haar en ik hebben samen met ons redactieteam in De Bijbel Cultureel (Barnard & Van de Haar 2009) laten zien dat het in alle moderne kunstvormen van de twintigste en een-en-twintigste eeuw wemelt van de bijbelse referenties. Frank Bosman en Theo Salemink lieten in een eerder boek al de samenhang tussen religie en de avant-garde zien (Bosman & Salemink z.j.).

En vandaag komen zij met een tweede boek, over een avant-gardist par excellence, Hugo Ball. Opnieuw blijkt, met enkel kritiek en louter stront werpen, en met een puur subjectivisme dat de kunstenaar in volstrekte eenzaamheid met zichzelf alleen laat, is het voor weinigen uit te houden.

De nooit-ophoudende kritiek van de profeet Elia, zijn permanente destructie van de dominante religie en de heersende politiek is voor zijn omgeving onverdraaglijk, maar uiteindelijk ook voor hemzelf. De altaren moeten worden vernietigd, de priesters van de Baal vermoord, de koning en de koningin in de rauwste taal geschoffeerd en getergd. Elia volbrengt zijn taak met griezelig fanatisme, - maar dan staat hij daar uiteindelijk alleen, in een woestijn van bloed en puin. Wat rest hem zèlf, anders dan de dood? Merkwaardigerwijs een nieuw leven dat hem geschonken wordt in de slaap. Een slaap waarin de engelen hem brood en water brengen.

 

 

3.

 

Ontregelende kritiek, niet in de laatste plaats van kunstenaars, zien we al te gemakkelijk en vanzelfsprekend als eigen aan de westerse samenleving en we schrijven haar met enig gemak op het conto van de Verlichting. Maar ze wortelt veel dieper. Kritiek op de status quo en op leiders is terug te voeren op de bronnen van de Joodse en christelijke religies, op de schriften van Israël en de kerk, op de Joodse en christelijke bijbel. Zo ergens ontregelde regels en zinloze zinnen geschreven staan, dan dáár, veeleer dan in de Griekse en Romeinse bronnen van onze cultuur. In de joodse en christelijke bronnen staan zinnen, verhalen, discoursen en liederen die het wagen te refereren aan een volstrekt onzichtbare en nauwelijks geloofwaardige externe realiteit, aan een stem die vanuit het niets de gevestigde orde ontzet, die roept van gerechtigheid en vrede en alles verwerpt wat daarmee strijdt, en die bovendien volkomen exclusiviteit en autoriteit claimt. Een onuitsprekelijke Naam als referent, een non-referent.

Met Odysseus valt niet te spotten. Met de Romeinse keizer al evenmin. Met Mohammed en Allah zoals we weten ook niet. Maar in het midden van het evangelie staat een spotkoning met een purperen mantel en een kroon van doornentakken op zijn kop, een nar, een clown, een dwaas. God is groot en Jezus is zijn nar. Het evangelie is de cartoon bij uitstek.

 

Kritiek wortelt juist in de Joodse en christelijke bronnen van onze beschaving. Het is verbazingwekkender dat het christendom zich tot zo'n door en door kleinburgerlijke religie heeft ontwikkeld, tot zo'n rotsvast gestructureerde organisatie, dan dat enkele kunstenaars die op geen manier pasten in de gestructureerde samenleving, tot de christelijke religie zijn teruggekeerd. De antwoorden van de kerk op de losse tekstuele organisatie van het modernisme en op de daarmee samenhangende epistemologische onzekerheid, zijn: een zeer hechte tekstuele organisatie, vorm en vormvastheid (Barnard 2006: 39). Zelf heb ik elders laten zien hoe de Liturgische Beweging vaart kreeg juist in de tijd van het Modernisme. Het Modernisme laat het referentiële karakter van de taal los door te kiezen voor een ongeorganiseerde taal en zaagt daarmee de poten onder de menselijke kennis van de wereld vandaan. De Liturgische Beweging kiest voor een reïnvention van de oude bronnen, voor een weliswaar poëtische en artistieke taal – verbaal en sacramenteel -, maar wèl een taal die vast ligt in liturgische boeken, met een duidelijke referent. De Liturgische Beweging kiest voor het rationeel onbereikbare, maar dus wèl in taal en rite nauwkeurig vastgelegde mysterie dat aanbeden wordt, Jezus Christus. Het is toch min of meer een cliché-reactie. Men had beter een mijl extra kunnen optrekken met de kunstenaars in plaats van meteen weer voor een gevestigde orde te kiezen. Daarmee werd het mysterie ook meteen weer omheind, mogelijk ook verstikt.

 

Het hoeft dus niet te verbazen, dat sommige kunstenaars, en juist ook sommige deconstructivisten en dadaïsten, naar de volkomen ontregelende taal van de schriften zijn teruggekeerd. Naar die taal die een non-referent heeft, een volkomen onzichtbare stem die absolute autoriteit claimt. Dáár vonden zij gehoor, dáár geestverwantschap, dáár het smeulend vuur dat moest worden aangewakkerd, daar de stelligheid die nodig is om de gevestigde orde te ontzetten.

Deze kunstenaars die erop uit waren de samenleving te ontzetten, vonden daar ook het middel, het instrument om die revolutie te ontketenen: de taal. De taal! - niet de wapens, niet het geweld, niet de terreur. De taal, de woorden, ontregelende regels en zinloze zinnen. De dadaïst is priester van de taal, - wat (tussen haakjes) nog iets anders is dan van het verbalisme. Er is immers ook zoiets als beeldtaal, en ook de collages van Kurt Schwitters zijn taal.

 

Anna Katharina Schaffner (Schaffner 2006: 128-130) noemt het verlaten van het referentiële karakter van de taal als één van de kenmerken van het dadaïsme. Dada-taal frustreert categoriaal denken en sabotteert vanzelfsprekende receptiestrategieën bij de lezer of hoorder ervan. Volgens Julia Kristeva - voor mij altijd een inspirerende denker - heeft dat vèrstrekkende individuele en maatschappelijke gevolgen: 'de explosie van fonetische, lexicale en syntactische wetten impliceert, dat psychologische en ideologische beperkingen van het subject en per conseqentie van de samenleving, openbarsten' (Schaffner 2006: 129, mijn vert. - MB).

Taal, cultuur en samenleving hangen nauw samen, en de verandering van de ene heeft onmiddellijke gevolgen voor de andere. Politici in een democratie weten en beheersen dat als geen ander. Politiek gaat over taal, over symbooltaal, en pas in tweede instantie over de realiteit. Het is ijdele hoop te denken dat politiek primair over feiten gaat. Niemand die dat taalspel beter kent en beheerst dan Geert Wilders. De referent van al zijn taal is een idée fixe van ‘wij’ tegen ‘zij’, van vijandschap, van haat en verdeeldheid.

 

 

4.

 

Ik keer tenslotte nog een keer terug naar Werkman. De Groningse drukker kan onmogelijk als bekeerling worden beschouwd, daarmee zouden we hem onrecht doen. Dominee August Henkels gaf hem in de Tweede Wereldoorlog de Chassidische Legenden van Martin Buber. Henkels was één van de drie schippers van de Blauwe Schuit, twee mannen (August Henkels en Ate Zuithof) en een vrouw (Adri Buning) die in de oorlog met wat gedichten en teksten, gedrukt en geïllumineerd door Werkman, een beetje vrolijkheid wilden bieden aan hun abonnees. Werkman was geraakt door de legenden over arme Joden in Oost-Europa, en de eenvoudige vreugde die zij putten uit hun geloof. Het heeft, ik noemde het al, geleid tot de druksels van de Chassidische Legenden, door Henkels voorzien van tekst. Net zo min als Hugo Ball en Emmy Hennings is Werkman blijven stil staan bij zijn dadaïstische periode. Ook hij heeft een referent gezocht voor zijn taal, zijn speelse en vrolijke beeldtaal en die gevonden in de Chassidische Legenden. Andermaal, de taal van een traditie die refereert aan een non-referent, een onzichtbare en onnoembare Naam, in het geval van het chassidisme: een Mashiach die komen moet maar op zich laat wachten. En juist die afwezige referent verschaft de chassidim temidden van armoede en pogroms vrolijkheid, levensvreugde. In de donkerste jaren van de oorlog waarin het volk van de Mashiach wordt uitgeroeid in de gaskamers van Auschwitz kiest Werkman juist in die afwezige Mashiach zijn referent. We zien De sabbath der eenvoudigen: twee mensen reiken elkaar de hand en dansen rond de tafel met de sabbatkaars, in een intieme tedere sfeer van genuanceerde gelen, groenen en bruinen (vgl. Barnard 2013: 20). Een intense en ontroerende vreugde in het geweld en de misère.

 

Het grappige van Werkman is, dat hij nooit zich een wereldbestormer heeft betoond. Ook zijn dadaïstische poëzie en druksels zijn eerder het werk van een spelend kind dan van een revolutionair. Hij speelt met wat hij in zijn drukkerij voorhanden heeft. Blokletters, drukletters, gereedschappen, rollers, een schrijfmachine - en hij maakt er vrolijk stemmende druksels of typsels mee. Subtiel, ontregelend, zinloos. Maar o zo vrolijk makend. De teruggetrokken drukker van de Lage der A 13 heeft niet de Apokalyps uitgeroepen over Groningen, maar subtiel en speels aan haar orde en structuren gemorreld. Pas toen zijn taal weer een referent had gevonden, werd zijn werk gevaarlijk en revolutionair. Subtiele gelen, groenen en bruinen ontregelden het zwart-rode gebrul van de bruinhemden.

 

 

5.

 

Ik moet eindigen. Dat ik blij ben met het nieuwe boek van Frank Bosman en Theo Salemink, zal duidelijk zijn. Dat de theologie erdoor ontregeld moge worden. Hoe kan ik hen beter feliciteren dan met de woorden van Werkman zelf (Komrij 2004: 729)?

 

LOEMOEM LAMMOEM LAROEM LAKOEM

bergamotse pergolas

boestroem bastroem bestroem bostroem

arboesti arboesas

oemoem ammoem aroem akoem

pastolorum postolas

akroem baroem fakroem faroem

synagobi syncopas

oeloem aloem oesdroem nosdroem

akolasi rabotas

oeldroes knoeldroes boeldroes moeldroes

pastellorum crammacas

oemboem hoemboem zoemboem boemboem

castranorum castrafas

 

 

 

 

Literatuur

 

-        Barnard, Marcel, Liturgie voorbij de Liturgische Beweging. Over “Praise and Worship”, Thomasvieringen, kerkdiensten in migrantenkerken en ritualiteit op het internet, Zoetermeer 2006.

-        Barnard, Marcel & Haar, Gerda van de (red.), De Bijbel cultureel. De Bijbel in de kunsten van de 20e eeuw, Zoetermeer 2009.

-        Barnard, Marcel, God en het museum, Haarlem 2013.

-        Berg, Hubert van den & Buelens, Geert (red.),  doe uw werk! Avant-gardistische poëzie uit de Lage Landen, Nijmegen 2014.

-        Bosman, Frank & Salemink, Theo, Avant-garde en religie. Over het spirituele in de moderne kunst 1905 – 1995, z.p. z.j.

-        Doesburg, Theo van, Wat is dada?, Den Haag 1923.

-        Komrij, Gerrit, Nederlandse Poëzie van de 19de t/m de 21ste euw in 2000 en enige gedichten, Amsterdam 2004 (13e en 14e herziene en vermeerderde druk).

-        Schaffner, Anne Katharina, 'Assaulting the order of signs', in Dadyff Jones (ed.), Dada culture. Critical texts on the avant-garde, Amsterdam/New York 2006, 116-131.

-        Schippers, K., Holland Dada, Amsterdam 2000 (2e, geheel herziene druk).

-        Stoker, Wessel, Kunst van hemel en aarde. Het spirituele vij Kandinsky, Rothko, Warhol en Kiefer, Zoetermeer 2012.

-        Vries, Anneke de; Spek, Jikke van der; Sjens, Doeke & Jansen, H.N. Werkman 1882 – 1945. Leven en werk, Groningen 2015.

-        Wal, Joost de, Kunst zonder kerk. Nederlandse beeldende kunst en reigie 1945 – 1990, Amsterdam 2002.1.

 



  Share on:
26 november 2015 - :

Fascinerende kunst in de Oude Kerk in Amsterdam: Column Untitled van Germaine Kruip

 

De Oude Kerk in Amsterdam: een onweerstaanbaar charmante oude dame

Laten we bij het gebouw beginnen, de Oude Kerk op de Wallen van Amsterdam. ‘Huiskamer van de stad.’ Een wonderlijk bouwwerk van aan elkaar geschakelde ruimten, waar het licht zelden recht en koel is, maar altijd gebroken en uitgestrooid in een eindeloos spectrum van kleurnuances. Hollands licht. Een structuur die enigszins onbeholpen probeert ten hemel te reiken, maar waar geen enkele lijn het volhoudt kaarsrecht te staan. De lijnen staan krom door het gewicht van de bogen en de ouderdom van het gebouw, door de zompige grond waarop het staat. De plattegrond is wel allerminst symmetrisch door de eenvoudige bouwpraktijken in de late middeleeuwen. En de houten kap staat als een warme deken boven ons, een afdak dat de eindeloze hemel onzichtbaar maakt. De verticale beweging wordt afgeremd.

Zo staat ze daar, 22 meter hoog, de Oude Kerk, een rijzige grijzige oude dame, onweerstaanbaar charmant. In haar schoot rusten vele bekende en onbekende Amsterdammers, van Rembrandts Saskia tot de man van de Nachtwacht, Frans Banninck Kock; van onze zeeheld Jacob van Heemskerk tot de nauwelijks bekende Anna Seys. Ze wachten er op de nieuwe hemel.

Met zijn oriëntatie op het oosten waar de morgenzon opgaat, zijn lengteas die van de toreningang naar het altaar voert, zijn onbeholpen reiken naar de hemel, zijn kansel en tafel, wordt in dit huis, wordt in deze huiskamer van Mokum de overgang van het  christelijk geloof naar een materiële vorm van  steen en hout verkend. Een vorm die nooit wil stollen door het licht dat altijd weer anders door de ruimte wordt uitgestrooid. Die oude grijze rijzige dame blijft altijd in beweging, en is zo de wat krakkemikkige voorbode van de nieuwe hemel.

 

De vertaling van de christelijke religie in hout en steen en het harde kapitalisme

Wie heeft die kerk gebouwd? Dat is moeilijk te zeggen voor een tijd waarin de scheiding van kerk en staat nog niet bestond. Als we al als antwoord 'de kerkelijke autoriteiten' zouden willen geven, dan moet daar toch tenminste bij worden gezegd dat die draagkrachtige sponsors wisten te interesseren in het gebouw te investeren. Bijvoorbeeld de Amsterdamse schutterijen, die de majestueuze transepten bouwden: de Voetboogschutters, die in 1408 toezegden de Joriskapel te bekostigen, en, bijna vijftig jaar later, de Handboogschutters, die de Sebastiaanskapel financierden. De vertaling van de christelijke religie in steen en hout, in bouwkunst, ging nooit buiten het harde kapitalisme van de economie om.

En kijk eens in onze dagen. Daar is de Stichting de Oude Kerk, onder de onvervaarde leiding van Jacqueline Grandjean, en de Oude Kerkgemeente, tot afgelopen zondag onder de aimabele geestelijke leiding van Eddy Reefhuis. Nog altijd: particulier initiatief en kerkelijke autoriteit. De accenten zijn verschoven, de rollen min of meer omgedraaid. De opdrachtgever voor bouw- en restauratieactiviteiten is nu primair particulier initiatief, de Stichting, en - gelukkig voor haar: - niet meer de kerk.

 

Column Untitled van de Nederlandse kunstenaar Germaine Kruip 

Maar nu het bijzondere. Nog altijd wordt er toegevoegd aan de kerk, zij het vaak in tijdelijke structuren. De rijzige oude dame schuilt ineens onder een paraplu, die bij nader inzien een dakterras van Taturo Atzu blijkt te zijn. Zij wordt ineens poëtisch aangelicht door de videokunst van Tony Oursler. En kijk nu eens, - een nieuw wonder, bij de ingang van het noordertransept, de Joriskapel, waar op de trekbalk nog het logo van de Voetboogschutters te zien is (de afgehakte klauw van een arend): een kaarsrechte zuil van Italiaans Carrara-marmer van de Nederlandse kunstenaar Germaine Kruip: Column Untitled. De oude dame krijgt ondersteuning van een kaarsrechte zuil. Een zuil die als vanzelf verbinding aangaat met de structuur van het gebouw. En opnieuw wordt in het gebouw de overgang verkend van een religieuze idee naar een materiële vorm.

Kijk eens goed wat er gebeurt. Die krakkemikkige dame krijgt een kunstheup met een kaarsrechte pin waardoor ze ineens rechtop lijkt te lopen. De marmerblokjes waaruit de zuil is gebouwd rijzen op uit een graf, ze rijzen en rijzen, en verlaten de kerk door het plafond. Ze worden niet geremd door de bogen die elders in het gebouw op de pilaren rusten. De kolom is eindeloos, hij reikt tot in de hemel,  - hij doorbreekt de bouwstructuur van de kerk. En hij spreekt Italiaans. Oh quanto è corto il dire e come fioco/ al mio concetto! - om Dante in de laatste Canto van zijn Divina Commedia te citeren: 'O hoe schieten mijn woorden te kort en hoe zwak zijn zij om de voorstelling die ik in mijn hoofd heb tot uitdrukking te brengen!' (Vertaling Frans van Dooren). Ik doe toch een poging. Die Italiaanse zuil reikt naar de oneindigheid, die gaat door het dak, hij is een slanke editie van de Toren van Babel. Die Italiaanse zuil veroorzaakt een spraakverwarring in dit oer-Hollandse bouwwerk waarin de hemel onzichtbaar is gemaakt door de houten kap en de verticale beweging wordt afgeremd door de bogen en die kap. Die zuil klimt en klimt en klimt naar de hemel.

 

Verdraagt de geremde verticale beweging van de Hollandse Oude Kerk de Italiaanse zuil die tot in de hemel klimt?

Die vreemde taal stelt verrassende vragen. Of het grijze licht dat op de witgrijze steen van de pilaren en muren weerkaatst, het witte Carrara-marmer naast zich verdraagt? Of de witgrijze stenen het witte Carrara-marmer waar Michelangelo zijn beelden uit hakte, in hun midden verdragen? Of de ingehouden Hollandse sfeer het uitbundige Italiaans tolereert in haar midden? Of de ònbereikbare oneindigheid kan bestaan náást een klim naar de hemel? Of we altijd moeten wachten tot de nieuwe hemel uit de hemel op de aarde neerdaalt?

Of wij óók alvast even, met een anoniem 'iemand' die de apostel Paulus claimt te kennen, een kijkje in de derde hemel kunnen nemen? (2 Korinte 12, 2-5). Paulus zegt er niet veel over, maar hij weet dat die persoon 'weggevoerd werd naar het paradijs en onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken'. 'O hoe schieten mijn woorden te kort …..’ Kijk nog eens. Die gast spreekt ook woorden die we herkennen. Let eens op het ritme van de bouwstenen: zeven maal zeven maal zeven maal zeven, en tot in het oneindige, - 18 zichtbare meters, van het graf tot in de hemel.

 

De Oude Kerk is gewend aan een vreemde gast die zich de rol van gastheer toe-eigent

Die kolom is een vreemde gast in dat oudste kerkgebouw van de stad. Hij stelt de vraag: zijn we bereid die vreemde gast te ontvangen? Zij we bereid die vreemde gast die onze taal niet spreekt te ontvangen? Hoeveel veerkracht hebben we? Hoeveel veerkracht heeft de Oude Kerk? In de traditie van de kerk wordt verteld dat er zondag aan zondag een vreemde gast het kerkgebouw binnenwandelt, – herkenbaar, maar ook onbegrijpelijk. Een gast die onze taal spreekt. Een gast van wie het verhaal gaat dat hij tot in de hemel opgestegen en weer neergedaald. Een gast die ook merkwaardige woorden spreekt. Die gast is zo vrij zich het gastheerschap toe te eigenen. Hij maakt de vaste bezoekers van de kerk tot gasten en nodigt hen aan zijn tafel. Een vreemde gast en toch, thuis in deze stad, in dit Mokum. Als een kolom Carrara-marmer in een oer-Hollandse kerk.



  Share on:
28 november 2014 - :

Bestaat religie eigenlijk wel? Temperatuurmeting: wat er speelt in theologie en religiewetenschap

Afgelopen week was ik op het congres van de American Academy of Religion (AAR), dat samenvalt met dat van de Society of Biblical Literature (SBL). Eenmaal in de twee of drie jaar probeer ik daarheen te gaan, omdat iedereen daar is: de grote namen, maar ook de jonge onderzoekers die net beginnen. Je hoort wat de ontwikkelingen zijn, pikt namen op, terminologieën, titels. Het is door zijn immense omvang een ideaal congres om een temperatuurmeting te doen van wat er speelt op het gebied van theologie en religie. Ik geef daar graag iets van door. Dat is dan wel mijn meting, van wat ik, min of meer toevallig, heb opgepikt uit een reusachtig aanbod. Of misschien toch iets meer: ik begrijp sinds ik terug ben in ieder geval de wereld en de universitaire wereld waarin ik leef weer wat beter. Daarom een verslag. En, oeps, ja, het is een wat lang blog geworden...

 

 

Een mega-congres

 

San Diego

De jaarlijkse bijeenkomst van AAR en SBL is het grootste religiecongres ter wereld, met ongeveer 10.000 deelnemers. Plaats van samenkomst is altijd één van de, zeg, twintig grootste congrescentra in de Verenigde Staten - honderden en honderden meters lange structuren die nog het meest op de vertrekhal van een vliegveld lijken, met enorme zalen voor 50 tot 5000 personen. Direct daarom heen liggen dan tientallen ook weer kolossale hotels met op de onderste verdiepingen enorme zalencomplexen en daarboven de hotelkamers voor de congresgangers. Het toetert alles een megalomanie rond, die wij zo in Europa niet kennen.

Dit jaar waren we in San Diego, California. Die bekende zonnige staat is op zijn eentje de achtste economie ter wereld: Silicon Valley's informatietechnologie, Holywood 's filmindustrie, wijn, fruit enzovoort brengen geld in grote hoeveelheden binnen. Alleen al de context van zo'n stad bepaalt voor een deel het congres. San Diego is een stad met een oud centrum, the Gaslamp Disctrict, en een wereldberoemde Zoo waar de zeldzame reuzenpanda woont, maar de stad is ook de thuishaven van een van de grootste oorlogsvloten ter wereld, die de Pacific bewaakt. De zwaarbewaakte grens met Mexico ligt op vijf kilometer van de stad, evenals de drukste grensovergang met dat land. Hispanics vormen een belangrijke bevolkingsgroep, de sfeer is Spaans. Het aantal daklozen dat je op straat tegenkomt, is opvallend hoog. Onwillekeurig ligt zo bij voorbaat al een reeks thema's optafel: immigratie, taal, oorlog, geweld en vrede, rijkdom en armoede, climate change en sustainability.

 

Een weggetje door 1300 seminars

Wat doen we eigenlijk op zo'n wetenschappelijk congres? Dit congres duurt ruim drie-en-een halve dag, en per dag zijn er meer dan 350 bijeenkomsten en satelietbijeenkomsten (van redacties, uitgevers, recepties van belangrijke instituten en dergelijke), waarvan je er, ook weer per dag, in totaal niet meer dan ... vier of vijf kunt meemaken. Je weet dus zeker dat je aan het einde van het congres misschien vijftien seminars hebt bijgewoond en er 1300 hebt gemist. De structuur van het congres is volkomen plat, in die zin dat er niet een aparte lijst met hoofdsprekers of zoiets is, alles en iedereen staat op dezelfde manier aangekondigd in lange lijsten, tot en met Charles Taylor en president Jimmy Carter aan toe.

De seminars lopen uiteen van heel technische taalkundige onderwerpen, via filosofische en dogmatische thema's naar actuele onderwerpen in de religieuze arena's waar ook ter wereld. Naast het officiële aanbod zijn de geplande en spontane ontmoetingen met collegae minstens even belangrijk. In de enorme exhibition hall staan alle belangrijke uitgevers met hun boeken en tijdschriften, en de hoeveelheid boeken is opnieuw overweldigend, om niet te zeggen intimiderend. Het moeten er tientallen duizenden zijn. Altijd leuk om je eigen - Engelstalige - publicaties daar ook uitgestald te zien - het geeft een gevoel dat jij in dit enorme veld ook een hele kleine bijdrage levert. Het maakt een beetje trots en vooral ook heel bescheiden.

 

Keuzestrategieën

Je kiest een eigen pad door het overweldigende aanbod met behulp van een handige app; zo'n congres verloopt tegenwoordig bijna papierloos, al zijn er nog programmaboeken te krijgen. Bij het kiezen van je pad door de jungle van aanbod kun je natuurlijk verschillende strategieën kiezen. Je kunt het perspectief van je leerstoel centraal zetten, of van het onderzoeksprogramma waar je deel van uitmaakt, of selecteren vanuit specifieke projecten waar je mee bezig bent. Ik koos ervoor de vragen die mij nu in mijn eigen onderzoek bezig houden, leidend te laten wezen.

 

Een temperatuurmeting

 

Verschil en eenheid

In de seminars die ik bezocht speelde steeds op de een of andere manier de spanning tussen aan de ene kant globalisering en de tendens tot een wereldwijde monocultuur, en aan de andere kant nadruk op het locale, particuliere en toevallige een rol. Eenheid versus verschil, to be connected versus to be rooted, the net versus the self (Castells). Ja, we leven in een global village, maar meer en meer worden we ons bewust van onderlinge verschillen, van het bijzondere van iedere situatie. Tegelijkertijd realiseren we ons dat die particuliere situaties ook meestal toevallig zijn. Ik handel, ik denk, ik geloof, ik leef zoals ik leef, geloof, denk en handel omdat ik toevallig op die plek en die dag geboren ben.

Onder wetenschappers die ik hoorde prevaleert ontegenzeggelijk een engagement met het locale, het toevallige, het particuliere. Er is veel aandacht voor locale culturen en particuliere religieuze fenomenen. Die benadering is welbewust sterk normatief, er is een nadrukkelijke keuze voor engagement met het niet-vanzelfsprekend-dominante, met het marginale, zwakke. De sprekers die ik hoorde engageerden zich in hun onderzoek met de stem van Indianen in de Verenigde Staten, de religie van migranten in dominant andere culturen, LGTBQ mensen, womanist theologians, vrouwen (als slaven verhandeld - ook in de VS, mishandeld, genitaal verminkt) en kinderen. Een nieuw handboek Praktische Theologie (Kathleen A. Cahalan and Gordon S. Mikoski [eds.], Opening the field of Practical Theology. An introduction, Rowman & Littlefield 2014) dat werd gepresenteerd, start niet bij zoiets als methode, maar bij commitments. Er is een sterke wil de wereld beter achter te laten dan we haar aantroffen. Theologen en religiewetenschappers zijn wereldverbeteraars. Dat Jimmy Carter in San Diego sprak, was in dit verband volkomen consequent, en ronduit indrukwekkend. De vlijmscherpe negentigjarige (!) president heeft door zijn levenslange commitment een enorm moreel gezag, en zet zich dagelijks in voor kinderen en vrouwen (human trafficking, vrouwenbesnijdenis, kinderhuwelijken), gezondheidsissues in Afrika, sustainablility en climate change.

 

Welke taal spreken we?

Dat alles stelt vragen aan de klassieke en traditionele theologie en religiewetenschap. Wiens of wier taal spreken zij eigenlijk? Wie bepaalt de discoursen? Wie gaat over de geldstromen in het religieonderzoek? En dus ook, wie bepaalt wat een goed theologisch of religiewetenschappelijk discours is? Afrikaanse en Indiaanse theologen en religiewetenschappers riepen luid om een re-indigenization of knowledge of tenminste om een including of indigenous perspectives in the global scope (Ines Talamantes). Dat wil zeggen, dat we de manier waarop in andere culturen kennis wordt verworven en ingezet, in onze wetenschappelijke discoursen insluiten. Als Indiaanse kennis uitgaat van een eenheid van de kosmos, van zee en wind, van mens en  natuur, waarom zou dat dan van minder waarde zijn dan de boedelscheiding die het dominante westerse denken heeft aangebracht en die volledig vanuit het menselijk subject denkt en naar de wereld om ons heen kijkt als een object dat je kunt manipuleren, waarmee je naar believen kunt doen en laten wat je wilt? Precies als het gaat om zulke grote dingen als climate change en de daarmee samenhangende voedselcrisis (Mary McGann), dominante topics op de conferentie, zouden die alternatieve perspectieven wel eens van groot belang kunnen zijn. Precies dat we de aarde maar exclusief als van ons onderscheiden object beschouwen, betekent haar destructie. Waarom zouden de westerse ontologie en epistemologie exclusief zijn? Die hebben ons bepaald niet alleen maar goeds gebracht. Als Afrikaanse christelijke kerken of ook moslim Salfisten healings uitvoeren, inclusief excorcismen, is dat dan per se van minder waarde en minder effectief dan de westerse psychiatrie met haar medicijnkuren?

 

Conflict of concepts

Dat brengt ons op een volgend punt. Welke term plakken we op welke praktijk? Anders gezegd, hoe benoemen we bepaalde fenomenen? Gebruiken we daarvoor klassieke termen of nieuwe? Is de ene benadering wetenschappelijk en de andere niet? Noemen we iets magie of genezing? Noemen we een praktijk religieus of cultureel bepaald? Wanneer is een verschijnsel religieus en wanneer niet? Wanneer noemen we iets christelijk, wanneer niet (meer)? En opnieuw, wie bepaalt welke terminologie wanneer correct is en welke niet? Wat orthodox is en wat ketters? Hier gaan de discussies over: de conflict of concepts, - over conflicterende concepten en omstreden noties.

Het zal duidelijk zijn dat deze discussies vooral ook over macht gaan, over dominante culturen en minder of niet-dominante culturen. Ook over dominante, minder of niet-dominante wetenschapsculturen. Het dominante  wetenschapsbedrijf is dikwijls behoorlijk conservatief, innovatie allerminst vanzelfsprekend. Wie wil publiceren moet ook niet te ver uit de band springen, het peer review system maakt dat veranderingen maar langzaam op gang komen. Auteurs passen zich zover mogelijk aan aan wat courant is.

Conflict of concepts hoort tot op zekere hoogte tot wetenschap. Het beschrijven en duiden van, in ons geval: religieuze, fenomenen, is immers onze core business. En dat daar discussie over is, is niet meer dan gezond. Maar op een goed moment moet je het ook ergens over eens worden. Dat lukt theologen niet, en dat maakt onze toch al kleine discipline, in ieder geval in Nederland, extra kwetsbaar binnen het academische bedrijf. Wij zijn dol op de kleine verschillen en meten die breed uit. Dat maakt het veld verdeeld, en een huis dat tegen zichzelf verdeeld is ... Precies!

 

Theorievorming

Traditioneel is wetenschap uit op theorievorming. We zoeken naar de grote verbanden, de regels of wetten die een maximaal aantal verschijnselen verklaren en waaraan zoveel mogelijk fenomenen gehoorzamen. Voor wetenschappen die zich met sociale en culturele fenomenen bezig houden, lukt dat vooral met kwantitatieve methoden, waardoor we statistische tendenzen en verbanden op het spoor komen. Maar naarmate de verschillen groter worden, en we ons steeds meer concentreren op casus, op particuliere en locale verschijningsvormen van de religie, wordt dat lastiger. De theorie die dan bijna onwillekeurig naar voren komt is complexity theory, die, kort gezegd, beweert dat we moeten leven met een complexe werkelijkheid die ook door de wetenschap niet in simpele regels te ordenen is. Complexity laat zich niet oplossen. Hoe dat bijvoorbeeld geldt voor het domein van het liturgisch ritueel heb ik, met Johan Cilliers en Cas Wepener, duidelijk gemaakt in ons boek Worship in the network culture (Leuven:Peeters 2014).

Dat roept dus de vraag op wat theorie eigenlijk is in onze tijd? Ik blijf weer even bij mijn eigen veld, de liturgisch rituele kant van de religie en cultuur, meer specifiek van het christendom en daardoor gestempelde culturen. Natuurlijk zijn er rituele theorieën, maar steeds meer is er de claim dat ieder ritueel een eigen theorie meebrengt, anders gezegd, dat het particuliere prevaleert over het algemene. Nog eens anders gezegd, steeds vaker wordt een beschrijving en analyse gevat in termen die heel dicht op dat ritueel zitten. Geen abstracte theorieën, al helemaal geen grote theorieën, maar kleine theorietjes over deze specifieke casus. Juist in empirisch onderzoek, zoekt men dan een terminologie die uit de beschreven en geanalyseerde casus zelf opkomt.

 

Kunst als wetenschappelijke output

Wetenschap bestaat voor de buitenwereld uit droge theoretische artikelen en boeken. In het licht van bovenstaande ontwikkelingen gaat dat nog maar ten dele op. Ja, dat aspect is er. Maar we kunnen de argumentatie van de vorige paragrafen nog wat verder voeren. Steeds meer ontdekken we dat concepten en noties helemaal niet volstaan om te rapporteren over een (religieus) fenomeen, en dat visuele media, minstens complementair aan geschreven teksten, nodig zijn om iets van het bestudeerde fenomeen over te brengen. Ik zag op één van de seminars een prachtige documentaire van Christian Suhr - ik refereerde er impliciet al even aan - over exorcismen onder Salafisten in Denemarken. Een Salafist met psychische problemen werd gevolgd door de onderzoeker/filmer. De imam dreef hem thuis een duivel uit. Parallel ging de man naar een psychiater en kreeg hij medicatie. De enorme impact die de documentaire maakte, had met woorden zo niet bereikt kunnen worden en kan ook niet in woorden worden uitgedrukt. Een Apache collega maakte ons, na haar uitleg van de kosmologie van haar volk, pas echt duidelijk wat zij bedoelde, toen zij een aantal gedichten voordroeg. Film, beeld, documentaire, poëzie communiceren het andere, de van mij verschillende werkelijkheid, dikwijls beter dan woorden en concepten, die doorgaans aan het westerse academische discours zijn ontleend. Willen we tussen al die verschillende particulariteiten blijven communiceren, dan is het verbale discours niet voldoende. En zo beweegt zich - nee, inderdaad, niet in het machtcentrum, maar in de marge van het congres een groep wetenschappers die zich mengt met kunstenaars, filmregisseurs en performance artists die alszodanig de uitkomst van hun wetenschappelijk onderzoek laten zien. Zij breken het dominante discours in wetenschap en samenleving.

 

The ultimate

Wat ik hierboven gezegd heb over de taal die we spreken, conflicts of concepts, theorievorming en alternatieve vormen waarin wetenschappelijke resultaten worden gepresenteerd, vloeit allemaal voort uit de de prevalentie van het particuliere en bijzondere over het algemene. Toch roept juist die voorkeur voor het toevallige van het locale en particuliere de vraag op naar wat dit alles samenhoudt. What is the ultimate? What are the ultimates? What are the ultimate goals? En uiteindelijk voor (joodse, christelijke en islamitische) theologen ook de vraag: what is the ultimate truth? Hoe kunnen we, over en in en achter en met en onder - of welke voorzetsel je ook gebruiken wilt - al die verschillen spreken over een laatste waarheid, een God? Het zal niet verbazen dat ook hier niet een laatste antwoord te geven is. Wel moet de vraag gesteld worden. Het antwoord dat je geeft, hangt sterk af van je ontologische basispositie. Geloof je dat alle religies iets van de ultieme waarheid in zich dragen en dat dus alle religieuze praktijken een spoor van waarheid in zich kunnen dragen? Of dat er verschillende ultieme waarheden zijn die ieder hun eigen praktijken oproepen? Of dat er maar één ultieme werkelijkheid en waarheid is en dat alleen praktijken die daarmee corresponderen legitiem zijn? Het gaat hier niet alleen om een waarheid die de wereldreligies eventueel overstijgt, maar ook die verschillen binnen bijvoorbeeld christendom of islam te boven gaat. Kortom, hoewel de vraag ernaar wordt gesteld en gesteld moet worden, ligt ook de uiteindelijke norm niet vast en is deze afhankelijk van een prealabele positiekeuze.

 

Bestaat religie eigenlijk wel?

Maar er is nog één belangrijk punt dat ook 'boven de markt hing'. De vraag of religie eigenlijk wel bestaat. Die vraag is op zichzelf niet nieuw; hij werd al in de jaren zestig van de vorige eeuw gesteld. Bestaat er wel zoiets als een fenomeen religie, en zo ja, wat is dat dan? Door precies de niet-dominante groepen die ik hierboven al noemde, wordt religie nu juist gezocht in een niet-geïsoleerd domein, bijvoorbeeld in het alledaagse leven, in de keuken en de slaapkamer, in het publieke domein en de sport, in herinneringsculturen en musea, in de kunsten, in gerechtigheid en vrede voor vrouwen en kinderen, in gezondheid.

De vraag of religie wel bestaat is niet nieuw, komt evenwel met kracht terug. Leidend in de discussie is momenteel een boek van Brent Nongbri, Before religion. A history of a modern concept (New Haven/ London: Yale University Press 2013). Nongbri laat zien dat de notie 'religie' voor wat wij daar in het dagelijks gebruik mee bedoelen, en dus voor een geïsoleerd of te isoleren deel van de werkelijkheid, stamt uit de godsdienstoorlogen in de tijd kort na de Reformatie. Toen was er namelijk een belang om religie te isoleren en ondergeschikt te maken aan nationale wetten. Daar ontstaat de scheiding van kerk en staat die zo bevorderlijk is gebleken voor vrede. Kortom en een beetje kras gezegd, religie als geïsoleerd en te isoleren fenomeen, is pas uitgevonden in de zestiende eeuw.

Die term is ook van meet af aan niet neutraal ingevuld, zegt Nongbri. Wat wij in de westerse wereld onder religie verstaan, lijkt voornamelijk op het protestantse geloof. Dat werd de norm voor religiositeit en die norm hebben we met succes ook op de nieuwe wereld, die we net in die tijd aan het ontdekken waren, geplakt.

Ik vind zo'n discussie fascinerend. De uitkomst heeft grote consequenties voor theologie en religiestudies. Het feit dat theologen en religiewetenschappers het niet eens worden over wat religie is, kon juist wel eens komen doordat religie niet bestaat. Als Nongbri gelijk heeft, onderzoeken religiewetenschappers dus een deel van de sociale en culturele werkelijkheid dat alleen maar bestaat als door henzelf bedachte constructie. En - niet onbelangrijke toevoeging - dat in het dagelijks taalgebruik ook gebezigd wordt en intuïtief ook iets betekent (religion is anything that sufficiently resembles modern Protestant Christianity - p.18).

Nongbri is genuanceerd. Religie is niet something out there, maar wetenschappers, zegt hij kunnen het begrip wel gebruiken om interessante dingen op het spoor te komen. Hoe hij dat precies voor zich ziet, wordt niet helemaal duidelijk. Wat wel duidelijk wordt, is, dat als Nongbri gelijk heeft, de positie van religiewetenschap aan de universiteit uitermate zwak wordt. En menige decaan Geesteswetenschappen aan Nederlandse universiteiten lijkt aan te voelen dat religie niet bestaat, en heeft het vak dan ook al half of definitief de nek omgedraaid.

 

Theologie blijft

Blijft over de theologie, de wetenschap die vraagt naar God. Die gaat per consequentie dan niet over een geïsoleerd fenomeen dat we 'religie' noemen, maar over de hele werkelijkheid. Anders gezegd, als Nongbri gelijk heeft, is er geen bijzondere relatie tussen theologie en religiewetenschap, maar is de godgeleerdheid met de gehele universiteit in gelijke mate verbonden. Het eigene van de theologie ligt er dan in dat de werkelijkheid met een specifieke methode worden ondervraagd. Dat is de taak van de theologie. Wat kenmerkt deze methode? In ieder geval dat de vraag gesteld wordt naar the ultimate, of the ultimates, of the ultimate goals, of the ultimate truth, of the ultimate truths, of the gods, of God in sociale en culturele praktijken, maar evengoed in de fenomenen die de sciences onderzoeken. Het betekent een zorgvuldige waarneming, beschrijving en/of artistieke, visuele, poëtische weergave van de werkelijkheid, en vervolgens een analyse daarvan met behulp van een instrumentarium dat refereert aan God. Het betekent, bijvoorbeeld, een artistieke of beschrijvende weergave van sociale en culturele praktijken en fenomenen, en vervolgens een analyse van die praktijken of fenomenen met behulp van een instrumentarium dat behalve aan het sociale en culturele (want enkel en alleen daarin is immers de ultieme werkelijkheid te vinden), vooral ook refereert aan het ultieme of aan God. Het betekent in ieder geval niet een onderzoek dat zich beperkt tot kerkelijke of religieuze fenomenen.

Zo zou dan blijken dat de religiewetenschap en de faculteit religiewetenschap een intermezzo zijn geweest, en dat de theologie haar oudste rechten opnieuw dient te verzilveren. De theologie die hier ontstaat, zal wel een geheel andere theologie zijn dan we gewend waren. Het komt eerder in de buurt van wat Richard Kearney heeft genoemd een niet-atheïstische theologie (een theologie die rekent met de mogelijkheid van een God) en een theologie-voorbij-de-theologie (namelijk voorbij de klassieke, essentialistische, onto-theologie), of, zoals de ondertitel van zijn boek Anatheism het zegt: a return to God after God. Een theologie die niet gaat over de vraag of God wel of niet bestaat (want die vraag, zo weten we sinds Kant, laat zich niet oplossen, en apologetiek moeten we dus mee ophouden, - die overtuigt geen mens meer), maar een theologie-als-methode.

 



  Share on:
15 september 2014 - :

Nog een keer: bricolage- of knutselliturgie

 

Het interview dat Mirella Klomp en ik vorige week aan Trouw gaven over de liturgie van de viering waarin de Protestantse Kerk in Nederland haar tienjarig jubileum vierde, deed nogal wat stof opwaaien. Vooral de termen bricolage- en knutselliturgie werden fel bediscussieerd.

 

Mirella Klomp en ik hebben het interview in De Verdieping (Trouw 11 september 2014, p.6 en 7) geautoriseerd. Aan het slot van dat interview zeg ik het volgende: “De liturgie is een echte mengeling, een bricolage. Van alles zit erin, van klassiek kerkelijk tot populair. Het komt allemaal bij elkaar en de kerk kan dat hebben.” In dat kader heb ik het woord bricolage uitgelegd als ‘mengwerk’,  ‘knutselen’ en ‘knippen en plakken’. Dat ‘knutselen’  heeft Trouw nog weer in een redactioneel bericht op p.3 van de krant opgenomen. Zelfs als kop: "PKN viert tienjarig bestaan met 'knutselliturgie'." Dat de koning ‘ getrakteerd’  werd op een knutselliturgie is een woordkeuze die geheel voor de verantwoordelijkheid van de journalist komt.

 

Ik kom nog een keer terug op die notie bricolage en de vertaling ervan, of dat nu knutsel-, meng- of knip-en-plakwerk is.

 

Ik heb voor het eerst van bricolageliturgie gesproken in 2005, in mijn oratie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, en de term wordt sindsdien vaak gebruikt (zie, Marcel Barnard, Liturgie voorbij de Liturgische Beweging, 75). Toen heb ik voorgesteld laat-moderne liturgie “te zien – met Lévi-Strauss en Derrida – als een bricolage (…): een ‘onconventionele combinatie van conventionele topoi’ in een totaal veranderde context. (…) De code van liturgische vernieuwingsbewegingen van onze tijd sluit in hoge mate aan bij de contemporaine cultuur. Zij neemt het contemporaine artistieke en esthetische over, en organiseert die niet nadrukkelijk op een eigen wijze.”

 

Dit is nu precies wat er in de jubileumdienst van de PKN aan de liturgische orde was. Er werden popsongs overgenomen, die niet werden herdicht of door ‘eigen’ mensen werden uitgevoerd, maar die alszodanig in de liturgie werden ingepast. Daarmee sloot de kerk aan bij de popcultuur en kwamen The Passion en een zondagsliturgie op dezelfde lijn te liggen.

 

In 2009 ben ik uitvoerig op dat begrip bricolageliturgie ingegaan in een in Nederland en Zuid Afrika gepubliceerd artikel, dat inmiddels in een Engelse versie als hoofdstuk 6 is opgenomen in mijn nieuwe boek (‘Bricolageliturgie. Liturgical Studies Revisited’ in F.G.Immink en C.J.A.Vos, God in een kantelende wereld, Zoetermeer 2009, 310-325; ‘Bricolage/Particularity’ in Marcel Barnard, Johan Cilliers en Cas Wepener, Worship in the Network Culture, Leuven 2014, 117-130.).

 

In dat artikel en hoofdstuk heb ik de oorsprong van het bricolagebegrip getraceerd. Ik laat alle nuances die ik daar uiteenzet achterwege en geef enkel de hoofdlijn van mijn betoog weer. De antropoloog Lévi-Strauss (1908-2009) stelt de bricoleur en de ingenieur tegenover elkaar. De eerste is de knutselaar, de tweede de geschoolde probleemoplosser. Mythen, zo zegt hij, bestaan uit eenheden die op verschillende manieren kunnen worden gecombineerd, doorgaans uit wat toevallig voorhanden is –myhten zijn een vorm van bricolage. En de aldus samengestelde mythen leveren mensen een hele specifieke kennis op, die te onderscheiden is van moderne wetenschappelijke kennis. ‘Like bricolage on the technical plane, mythical reflection can reach brilliant unforeseen results on the intellectual plane’ (voor verwijzingen zie de referenties in de genoemde artikelen).

 

Het begrip bricolage krijgt een enorm belang voor de geesteswetenschappen (waar ik de theologie nu gemakshalve maar even onder reken) als de Franse postmoderne wijsgeer Derrida (1930-2004) het oppakt. Ieder vertoog, zegt Derrida, ook het geesteswetenschappelijke, en, voeg ik nu toe: ook het liturgische, heeft de vorm van een bricolage. Wij betrekken onze concepten uit een taal die toevallig voorhanden is. We stellen een liturgie samen uit wat toevallig voorhanden is. Het is brokkelwerk, mengwerk, open naar alle kanten en open voor velerlei interpretaties, verwijzend naar vele andere discoursen. De ingenieur in de zin waarin Lévi-Strauss daarover spreekt is een theologisch begrip, een mythe, zegt Derrida. Geen mens kan met iedere vorm van bricolage breken en een totalitaire taal ontwikkelen. Dat is ook ongewenst.

 

De liturgie van de PKN-feestdienst is een mooi voorbeeld van bricolage in die zin. Er is uit elk verschillende discoursen geput, vooral uit pop- en wereldmuziek, en ieder kan er wel iets in vinden. Een totalitaire theologische taal is vermeden. Elke totalitaire theologische taal is vermeden.

 

Ook het liturgisch discours (‘de liturgie’) is bricolage. Dat is altijd zo geweest. De klassiek-gereformeerde formulieren zoals de Synode van Dordrecht die vaststelde, zijn op punten aanwijsbaar knutselwerk, samengesteld uit eerder bestaande onderdelen. Dat geldt ook en eens te meer het oecumenisch liturgische model met kyrie, Gloria, lectionarium, Eucharistie enzovoorts. Het verschil met vroeger is dat we dat nu openlijk doen, zonder te suggereren dat onze liturgie iets anders is dan knip- en plakwerk. Integendeel, we accentueren de diversiteit in onze samengestelde liturgieën.

 

We willen diversiteit, voor-elk-wat-wils. We willen geen totalitair, anderen uitsluitend discours. Derrida wijst in dat verband nog op iets belangrijks. Met een welbewuste bricolage voorkomen we dat er een normerend ‘midden’ is, een absoluut referentiepunt, een origineel. Er is dus ook geen historisch moment dat centraal staat, bijvoorbeeld de Reformatie, of de Vroege Kerk (wat dat ook wezen mag). Iedere structuur is radicaal a-centrisch.  

 

Ik heb erop gewezen dat binnen het bricolage-paradigma in de liturgie doorgaans gekozen wordt voor een thematische eenheid. Niet meer het leesrooster, niet meer de voor-gegeven orde van dienst, niet meer het kerkelijk jaar, maar een actueel thema vormt de samenhang in een kerkdienst. Dat thema wordt steeds gekozen in sterke binding aan de context. In deze dienst was het thema: verbondenheid. Kan het actueler, méér context-bepaald?

 

De PKN jubileumdienst had als thema verbondenheid. Dat suggereert dat die er niet vanzelfsprekend is. Heel de liturgie stond dan ook gericht op samenbrengen, verbinden wat niet vanzelfsprekend bij elkaar hoort. Zo koos deze liturgie bij voorbeeld nadrukkelijk niet voor ‘elitaire’  kerkelijke klassieke muzikale paradigma’s maar voor een populair genre. De pop- en zogenoemde wereldmuziek waren ruimschoots aanwezig.

 

Prof. Christiane Berkvens noemt mijn kwalificatie van de PKN-feestliturgie als “populaire ‘ bricolage’ liturgie” in een tweet van 11 september ‘ zuur’ , ‘wereldvreemd en ouderwets’. Dat lijkt me om enige uitleg te vragen harerzijds. Het zal toch niet zo zijn dat zij haar (post-moderne) klassieken niet kent? – dat zou opmerkelijk zijn voor een hoogleraar in de geesteswetenschappen.

 

Tenslotte nog dit. Als er nu geen absoluut begin is, geen standaard liturgie, geen norm, geen centrum, geldt dan anything goes? Nee, binnen specifieke interpretatiegemeenschappen gelden bepaalde normen, afspraken. Ook binnen de christelijke gemeente. De discussie gaat erover wat die norm is? Ligt die – zoals de PKN met deze liturgie lijkt te zeggen – in de context van diversiteit waarin verbondenheid wordt gezocht? Of ligt die in uitgebalanceerde min of meer klassieke liturgische modellen, die immers ook theologische monumenten waren, of ergens in het midden? En welke rol spelen historische perioden die heimelijk toch dikwijls als normerend worden gezien, bijvoorbeeld de Reformatie of de vroege kerk (waarmee dan dikwijls de vierde eeuw wordt bedoeld)? Hoe staan liturgie en belijden met elkaar in verband? (Zie hiervoor mijn ‘ Confessionele en liturgische pluraliteit in de Protestantse Kerk in Nederland’, in M. Barnard, L.J. van den Brom en F. De Lange (red.), Protestants geloven, Zoetermeer 2003, 33-51.)

 

We moeten niet doen alsof er theologisch niet enorme veranderingen optreden als je liturgische modellen verwisselt. Dat zou naïef zijn. Verschillende liturgische modellen staan naast elkaar. Maar daar begint ook een gesprek. Persoonlijk denk ik dat je met een populair liturgisch paradigma niet veel wint, en zeker geen mensen. Dat blijkt ook: de leegloop uit de kerkdienst zet onverminderd voort. Veeleer denk ik dat je in de in lange eeuwen gegroeide liturgische modellen mondjesmaat en weloverwogen veranderingen moet aanbrengen, willen ze missionair en overtuigend blijven. In zoverre vind ik inderdaad dat je je eigen tradities niet te snel in de uitverkoop moet doen. Zelf woon ik in een rijksmonument, dat we na zorgvuldige restauratie geheel aan modern wooncomfort hebben aangepast. Dat is ook een liturgie waar ik me in thuis voel: een monumentale structuur die aan de eigen tijd is aangepast. Maar ik ben me bewust dat de Vinex razend populair is, en dat mensen er domweg gelukkig zijn.



  Share on:
15 januari 2014 - :

Geworteld en verbonden

Statement, debat Geworteld of verbonden, VU/PThU Graduation Week, 13 januari 2013

 

Kerstmis is niet mijn favoriete feest. Door op reis te gaan vorige maand dachten wij de kerst te ontlopen. Dat is niet gelukt. Jullie kònden of wìlden waarschijnlijk helemaal kerst niet ontlopen en zijn thuis gebleven. Verstandig.

Wij gingen een week naar vrienden in het diepe zuiden van de VS. Onze vrienden zijn Joods, beiden psychiater, hij ook geschoold als rabbijn. Een bezoek aan hen zou gegarandeerd Christmas-free zijn, -- dachten wij. Maar we hadden buiten de waard gerekend. Onze Joodse vrienden zagen in ons bezoek een buitenkansje om ook eens kerst te vieren. Het is een spirituele kerst geworden, -- méér dan ooit, welbeschouwd. We hadden een (gematigd-)kosher kerstdiner, samen met een deel van het synagogebestuur. ‘The best Christmas ever!’ :-) Op kerstavond gingen we naar een African Baptist Church, met een preek in de beste traditie van Martin Luther King, waar wij van begin tot eind door gefascineerd waren. Op sabbath gingen we gezamenlijk naar de synagoge, waar ik gegrepen werd door de verhalen uit Exodus. In beide gebedshuizen was de ontvangst van ons, twee totaal vreemde blanke, christelijke Nederlanders, meer dan hartelijk.

Thuis bij onze vrienden waren er verhalen van onze vriendin over haar grootouders in de oost-Europese ghetto’s, over haar ouders die beiden Bergen-Belsen en Auschwitz hebben overleefd, over de vlucht uiteindelijk van haarzelf als tienjarig meisje, samen met haar ouders, uit het rabiaat anti-semitische communistische Polen in de jaren zestig, en over Israël als het nieuwe thuis. Er waren verhalen van onze vriend over de Joodse gemeenschap in Buenos Aires, opnieuw over een vlucht, nu voor de militaire junta, en opnieuw waren er verhalen over Israël. En tenslotte ook verhalen van hen beiden over hoe ook dat Israël niet de ruimte bood die zij zochten en uiteindelijk de VS hun thuis werden.

Ik ben geen Jood en zal het nooit worden. Ik ben geen Afro-Amerikaan en zal het ook nooit worden. Maar ik wil wel met ze verbonden zijn en blijven. Die verbondenheid verrijkt mij méér dan ik in woorden kan uitdrukken.

Ik heb een basis nodig van waaruit ik het gesprek kan aangaan. En gelukkig sta ik zelf, willens en wetens, in een traditie, cultuur etc., -- die ik ook als theoloog grondig heb bestudeerd en dagelijks nog steeds bestudeer. Die ik bestudeer in de context van die andere culturen van Jodendom, wereldchristendom, wereldreligies en nieuwe religiositeit. Ik  sta in een mainstream protestantse christelijke traditie. En dat wil ik zo houden. Maar zó wil ik ook verbonden zijn met andere culturen, religies en levensovertuigingen.

Kortom, ik wil verbonden zijn èn geworteld zijn. Het gaat er in onze wereld om die twee bij elkaar te houden. In onze wereld gaat het erom verbonden te zijn met mensen die andere overtuigingen hebben, andere religies en andere culturele achtergronden. Tegelijk gaat het erom geworteld te zijn, op een bepaalde plek, in een bepaalde levensovertuiging of religie. Flexibiliteit èn ruggengraat. Liquid ànd solid. Vloeibaar èn stevig. Netwerk èn commitment.

 

Er wordt gezegd, de tijd van de gevestigde religie is voorbij, theologie moet losstaan van de kerk. De kerken vertegenwoordigen immers maar één – krimpende - positie onder de vele levensbeschouwelijke posities. Dat is een beperkte Nederlandse blik. Er zijn alleen al ruim 2 miljard christenen in de wereld. Secularisatie is een west-Europees verschijnsel. Ook in ons land zijn de kerken nog altijd een belangrijke bron van engagement, commitment en maatschappelijke participatie zijn. Er gaan in ons land per zondag 631.000 mensen naar de gevestigde kerken, dat is bijna 33 miljoen kerkgangen per jaar. Mensen die zich expliciet engageren met een op zichzelf ambivalente religie, maar dat doorgaans doen op een manier die de sociale cohesie bevordert en het social capital doet groeien. Mensen met commitment. Dat blijft voor de komende tien jaar een interessante, zij het krimpende, groep. 631.000 - er zijn ziektes die minder voorkomen, maar waar méér onderzoek naar wordt verricht. De institutionele religie – kerken, omroepen, stichtingen etc. - biedt een belangrijk, zo niet het belangrijkste, maatschappelijke draagvlak voor de academische theologie en theoloog. Daarom is zij een belangrijke bondgenoot van de academische theologie en van de academische theoloog. Zie deze faculteit, die zonder die verbinding snel ophoudt te bestaan. Maar de samenleving behoeft niet alleen kennis van religie, maar heeft ook behoefte aan religieuze leiders die academisch gevormd zijn, dat wil zeggen, die zelfstandig,  kritisch en creatief over religie in de context van de netwerksamenleving kunnen nadenken. Die dus ook kritisch-creatief verbonden zijn met hun eigen traditie en religieuze institutie. Die ergens voor staan en tegelijkertijd zich in een open gesprek met anderen begeven.

 

Maar geworteld zijn betekent niet: disconnected zijn. Geworteld en niet-connected, dat zijn de fundamentalistische christenen in de VS en Al Qaeda. Levensgevaarlijke fundamentalisten.

Nee, verworteling mag niet los staan van verbondenheid met anderen. Ook dat zou de dood in de pot zijn voor deze faculteit.

Nou wordt er gezegd dat veel moderne religiositeit vaag is en ruggengraat mist, en dat theologie perse kerkelijk moet zijn. Ik zeg daartegenin dat kerken en religieuze instituties die nog denken een exclusieve claim op religie en zingeving te kunnen leggen, niets van moderne religiositeit begrepen hebben. Dat laatste geldt trouwens voor moderne gelovigen die al te gemakkelijk de kerk afserveren.In al ons onderzoek blijkt dat religie zich buiten de muren van de kerk heeft begeven, en dat zij in die transitie ook transformeert, dus compleet anders wordt. Zij manifesteert zich in huisrituelen, kunst, sport, natuur en waar al niet. Dat is allerminst goedkoop of oppervlakkig, het is enkel niet kerkelijk-orthodox, of nog maar een beetje, of soms. In deze wereld, met zulke grote verschillen, is verbondenheid noodzakelijk voor de vrede in het groot en in het klein. Juist wie weet waar hij staat, kan onbevangen die verbondenheid aan, zoals ik dat met mijn Joodse, Afrikaanse etc. vrienden kan.

 

Er wordt gezegd, onze cultuur vraagt om heldere keuzen -- en niet te genuanceerd a.u.b. Verbonden of geworteld? Ik pleit voor verbonden èn geworteld. Academici moeten zich niet laten opfokken door zulke geconstrueerde tegenstellingen. Juist zij niet. Juist zij staan voor de nuance, de schakering, de subtiliteit, -- ook in het publieke debat. Voor het rationele ook, en tegen het ‘argument’ vanuit de onderbuik, tegen de waan van de dag, het snelle oordeel. Juist academische theologie en godsdienstwetenschap (nog zo’n paar dat hier en daar graag in tegenstelling wordt geconstrueerd) zoeken de nuance. De geleefde religie is ambivalent: levensgevaarlijk, en aanleiding tot conflict, haat en verschrikkelijk geweld. Tegelijkertijd is religie hoopgevend over alle beperkingen van het aardse bestaan heen, vredezoekend in oorlog, liefde. Meestal is het ergens tussen die beide polen in. Academische theologen zoeken de nuance. Omdat de werkelijkheid genuanceerd, gelaagd en complex is. Voor ons topic betekent dat: een pleidooi voor verbonden èn gewortelde theologie.

 

Kortom: flexibiliteit èn ruggengraat. Liquid ànd solid. Vloeibaar èn stevig. Netwerk èn commitment. Het is lekker om in zee te zwemmen, maar als je geen vaste grond meer onder de voeten hebt, wordt het levensgevaarlijk. Maar dat de zee gevaarlijk is, is nog geen reden om dan maar niet in zee te gaan.